Taalkwestie
januari 2010
“Da’s waar ook, jij bent dit weer allemaal aan het noteren, zeker?”, vroeg de man aan de andere kant van de lijn. Ik had hem al eens eerder geïnterviewd, toen nog enkel met pen en papier erbij. “Toch niet”, kon ik hem deze keer melden, “ik ben ons gesprek wel degelijk aan het opnemen. Met mijn gloednieuwe dictafoontje.”
Het is een digitaal dictafoontje. Aansluitbaar op zowel pc als mac. Al moet ik toegeven dat ik dat laatste nog niet heb uitgetest. Neen, dat is niet waar. Ik heb het wél geprobeerd, al meteen na de eerste opname zelfs. Viel dat even tegen. Foutmelding. Pc herkent dictafoontje niet. Zucht. Ik moest mezelf bedwingen om het ding niet terstond in een hoek te keilen. Ja, ik heb weinig geduld met techniek.
Maar ik kon er niet meer omheen. Sinds mijn aftandse taperecordertje -zo eentje waar je van die minicassettes moet insteken- het begaf, heb ik een hele tijd interviews afgenomen zonder geluidsopname. Ik vertrouwde liever op mijn notities. Kwestie van het zekere voor het onzekere te nemen. Zolang ik niet te lang wachtte met het uitschrijven, lukte dat nog best ook. Al vervloekte ik mezelf soms wel, omdat ik die ene quote net niet had opgeschreven. Of omdat ik tijdens het gesprek een goede quote gemist had omdat ik de vorige nog aan het noteren was. Ik besloot dus de techniek toch nog maar eens een kans te geven. Kwestie van zo volledig mogelijk te kunnen zijn.
Eén groot nadeel hebben die geluidsopnames wel. Eén grote reden heb ik om het herbeluisteren van mijn interviews steeds maar weer uit te stellen. En dat is mijn stem. Ik haat het te moeten luisteren naar mijn eigen stem. De twijfelachtige geluidskwaliteit van mijn oude taperecorder kon nog een en ander wegmoffelen, maar de haarfijne klanken van mijn nieuwe digitale model laten niets aan de verbeelding over. Mijn stem klinkt te laag. Te traag. Te Kempens.
Ergens wist ik wel dat mijn spreektaal gekleurd was door een Kempens accent. Maar dat het zó erg was? Daar schrok ik toch even van. Nu begrijp ik de opmerkingen, de vragen, en de licht spottende toon die daar vaak in doorschemert: “Jij praat zo traag; ben jij misschien van de Limburg?”, of gewoon ronduit “Zeg, gai zè iejen van de Kempen zeker?”. Nu begrijp ik waarom de Kempenaars die ik interview, steeds Kempenser gaan praten naarmate het gesprek vordert. Ik wakker dat aan, met dat immer aanwezige accent van mij. Nu begrijp ik ook de meewarige blik die mijn lief me doorgaans toewerpt wanneer ik opper dat meewerken aan “Mezzo” mij nog wel zou liggen. “Jij bij de radio? Vergeet het maar”, lees ik in die blik. En het is verdorie nog waar ook. De geluidsopnames liegen er niet om: ik klink als An Van Elsen vóór ze dictielessen had gevolgd. Ik zou dat natuurlijk ook kunnen doen, dictielessen volgen. Het zou mijn taalgebruik ongetwijfeld ten goede komen. Maar ik ben bang dat het mijn ergernis niet zou doen verdwijnen. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat ik tijdens interviews plots ga overschakelen op mooi Algemeen Nederlands. Hoe ergerlijk en onnatuurlijk zou dat zijn! Pas op, ik zou willen dat ik het kon, hoor: mooi Nederlands praten zonder dat het geforceerd overkomt. Maar dat gekuiste Nederlands is mijn taal niet. Althans, niet in de gesproken vorm. Ik schrijf wel Nederlands, maar ik spreek Kempens. Ik zal me daar vanaf nu dan ook maar bij neerleggen. Uit zelfbehoud. En ook wel een beetje uit Kempense fierheid.
Print je mail !
Wanneer je van ons een beves-tigingsmail krijgt dat je vrijkaarten hebt gewonnen, druk dan die mail af en neem hem mee naar de locatie waar de voor-stelling plaatsvindt.
Vermeld ook steeds je naam en adres in de mail wanneer je wil meedingen voor de vrijkaarten.



