juni 2011
Volgens mij is het zo gegaan.
Hij was vroeger wakker geworden die ochtend. Wellicht had hij zelfs niet geslapen. Daarvoor waren de gebeurtenissen de dag voordien veel te heftig geweest. Hij had vrienden en vriendinnen verloren. Kameraden zien sneuvelen in de strijd. Daar slaap je niet van. Soms zelfs je hele leven niet meer.
Hij was dus vroeg op en hij had honger. Revolutie of niet: als je honger hebt, moet je eten. En als je wil eten, moet je winkelen. Maar hoe doe je boodschappen met een hoop dode vrienden in je hoofd? Door nooit meer na te denken. Door het verstand uit te schakelen en op routine te vertrouwen. Hij waste zich, kleedde zich aan, stak wat kleingeld op zak en ging de stad in. De straten waren schoongeveegd. De lijken waren weg, maar het bloed kleefde nog aan de stenen en het asfalt. Zijn hoofd kookte, maar zijn bloed was koud. Hij voelde niks. Zelfs geen woede. Soms zie je zo veel dat je er apathisch van wordt. Bij één dode voel je een immens verdriet. Bij 200 of 300 doden voel je niks meer. Dan schakelt je lichaam uit zelfbehoud alle gevoelsfuncties uit.
Zo slenterde hij door de straten. En hij winkelde. Een brood bij de bakker. Vlees bij de slager. Groenten, fruit en noedels bij de kruidenier. Op de terugweg naar het studiootje dat hij huurde, hoorde hij een bekend geluid. Rollende rupsbanden over asfalt. Hij dacht niet na. Hij ging erop af. Op automatische piloot, alsof hij gehypnotiseerd was. Onderweg kruiste hij vluchtende mensen, rennend voor hun leven. Ook zij hadden het dreigende geluid herkend. En zij waren niet vergeten hoe het de dag voordien was afgelopen. Tanks winnen altijd. Daar doe je niks tegen.
Hij stond in het midden van de brede baan, die intussen helemaal verlaten was. Er kwam beeld bij het geluid. In de verte zag hij de tanks opdoemen. Hij bleef staan. Het leverde surrealistisch beelden op: een desolate weg met zeven baanvakken en in het midden daarvan een jongeman, emotieloos wachtend op de naderende tanks. In elke hand droeg hij een boodschappentas: het onomstotelijke bewijs dat hij niet gepland had daar te zijn. Tanks bestrijd je niet met noedels en fruit.
Eerst probeerden ze hem te passeren. Langs links, langs rechts. Hij schoof mee op en bleef pal voor ze staan. Met succes. Tanks zijn logge dingen: ze kunnen mensen platrijden, maar ze kunnen ze niet dribbelen. Heel even leek het erop alsof het leger zich overgaf. De tanks stopten, de motoren werden afgezet. Het werd muisstil. De wereld hield zijn adem in. Hij klom op de voorste tank en riep iets naar de commandant. Maar er kwam geen antwoord. Hij sprong terug van de tank en ging verder met zijn eenmanswegversperring. Tot hij werd opgepakt en weggedragen door twee mensen in het blauw.
Die dag, 5 juni 1989, werd hij in heel de wereld behalve China –waar de beelden gecensureerd werden- bekend als de man die de tanks tot stilstand bracht. Als het symbool van geweldloos verzet. Niemand weet wie hij was, niemand kent zijn naam, niemand weet of hij nog leeft.
In 2000 gaf Time Magazine hem een plaats in de top 100 van de belangrijkste mensen van de 20ste eeuw. Tussen de namen Albert Einstein, Bill Gates, prinses Diana, Moeder Teresa en Winston Churchill prijkt ook de naam ‘Tankman’. Echte helden verdienen heldennamen.
Plaats reactie