december 2011
Een groot tafeltennisser is aan mij nooit verloren gegaan, maar ik had wereldkampioen kunnen worden.
Veel heeft het niet gescheeld. 30 jaar. In het licht der eeuwigheid is dat niets. Toen ik onlangs op een Nederlandse zender een nieuwsitem zag over tafeltennislegende Cor Du Buy (1921-2011), die zopas op 90-jarige leeftijd is overleden, besefte ik wat voor een roemrijke sportcarrière nipt aan mij voorbij is gegaan.
Cor Du Buy (in Nederland uitgesproken als Du Bui) was ‘tafeltennisser van de twintigste eeuw’ bij onze noorderburen. Tussen 1937 en 1955 won hij alles wat er te winnen was. Zijn overmacht was gigantisch. Er bestaan nog beelden van: om zijn ongenaakbaarheid te demonstreren, tafeltenniste Du Buy soms zittend op een stoel, terwijl zijn opponenten vrij mochten bewegen. Zelfs dan won Du Buy zijn sets met 21-2 en 21-3. Het zegt veel over het talent van Du Buy maar nog meer over dat van zijn tegenstanders.
Laten we een sprong maken in de tijd. Het is 1981. Ondergetekende is 15 jaar oud en maakt de overstap van de voetbal- naar de tafeltennissport (zeg nooit denigrerend ‘pingpong’ tegen de Olympische discipline die tafeltennis is). Mijn tafeltenniscarrière zou een kleine tien jaar duren, tijdens dewelke ik geen enkele titel op mijn naam kon schrijven. Zelfs niet lokaal of regionaal. En toch had ik wereldkampioen kunnen zijn. Ik ben alleen in een verkeerde tijd geboren. Daar lieten de zwart-witbeelden uit de glansperiode van Cor Du Buy geen twijfel over bestaan. Het waren de jaren 50 en het begrip ‘sportiviteit’ had toen blijkbaar een andere betekenis dan nu. Het doel bij tafeltennis was hetzelfde als bij elke andere balsport: punten proberen te scoren, maar wel met dien verstande dat je het je tegenstrever niet té moeilijk mocht maken. Bij tafeltennis was dat dus: niet te hard slaan, en als het even kon binnen het bereik van de man aan de andere kant van de tafel. Gelijke kansen voor iedereen. Een effectbal geven werd beschouwd als gemeen spel. Dat kon tot de uitsluiting leiden. Snelheid maken was uit den boze en de smash was nog niet uitgevonden. Als Du Buy een balletje over het net duwde, duurde het een kleine 20 seconden voor het terugkwam. Naar verluidt zijn er beelden van Du Buy die tussen twee slagen in de sporthal van Purmerend uitwandelt om in een nabijgelegen dokterspraktijk zijn rechtervoet te laten verzorgen. Zijn onderbeen diende te worden gespalkt, maar hij was op tijd terug.
Du Buy tafeltenniste zoals Pete Townsend gitaar speelde: met een hoop compleet overbodige bewegingen, tussen de slagen door hevig molenwiekend met zijn rechterarm. Sportjournalisten hebben zich decennialang afgevraagd waarom hij dat deed. Ze vermoedden dat het schijnbewegingen waren, bedoeld om de tegenstander in verwarring te brengen. Flauwekul. Hij deed het omdat hij er tijd voor had.
In het tennis ging het er trouwens niet sneller aan toe. Bijna vergeten is de wedstrijd tussen de Duitser Küpfernagel en de Zweed Holgarsson uit 1953. Vorig jaar berichtten alle kranten over de heroïsche strijd op Wimbledon tussen Isner en Mahut. Die match duurde meer dan 11 uur en wordt algemeen beschouwd als de langste wedstrijd ooit. Fout. Het is hoogstens de langste ‘beëindigde’ wedstrijd ooit. Want in 1953 waren Küpfernagel en Holgarsson al meer dan 14 uur bezig toen de wedstrijd werd gestaakt. Het eerste punt was op dat moment nog niet gemaakt. Beide gentlemen bleven de bal maar hoffelijk en zo voorspelbaar mogelijk naar mekaar toespelen en geen van beiden maakte een fout. Wegens de invallende duisternis werd de match stopgezet. Wegens niet om aan te zien werd ze nooit hervat.
Tot in 1968 bewoog de wereld zich in slow motion en zelfs de beste, snelste en sterkste atleten deden daar vrolijk aan mee. Sporten gebeurde in hetzelfde gezapige tempootje als leven in het algemeen. Zet een hedendaags wielertoerist met een kater in het afgetrainde profpeloton van vijftig jaar geleden en hij rijdt iedereen op tien minuten. De beelden van Cor Du Buy hebben mij erop gewezen: tot in 1968 had ik in eender welke discipline, maar zéker in het tafeltennis, wereldkampioen kunnen worden.
Tot in 1968, want op 18 oktober van dat jaar veranderde alles. Terwijl de meesten van zijn concurrenten vijf meter en een beetje konden verspringen, nam Bob Beamon in Mexico City een aanloopje en tot verbazing van zichzelf en heel de wereld sprong hij 8,90 meter ver. Hij verlegde daarmee alle grenzen. Zonder te trainen van ’s morgens tot ’s nachts zou dat record nooit nog van de tabellen geveegd worden. Plots was het er in de sport om te doen het onderste uit de kan te halen. Vanaf dan moest je er ook wat voor overhebben om wereldkampioen te kunnen worden. Talent hebben werd ineens ook belangrijk. Vóór 1968 was daar geen sprake van.
Ik ben dus te laat geboren. In ’68 was het uit met de pret. Vanaf dan was het aan de jongens met talent. Jammer. Voordien was the sky the limit geweest voor mij. Bedankt, Beamon.
Plaats reactie