Polleke Trein
oktober 2009
“Jij bent journalist, hé? Jij schrijft toch voor Het Laatste Nieuws?”
Erg geïnteresseerd was de cafébazin niet. Ze vroeg het eerder uit verveling. Om de tijd te doden. Of gewoon om de stilte te doorbreken. Want behalve ik was er niemand in café De Toekomst en als ik om me heen keek, kon ik meteen dertig redenen bedenken hoe dat kwam. Nooit had ik een nog troostelozer café gezien. Een duffe krocht die zelfs in zijn gloriedagen nooit gloriedagen had gekend en die zijn uitbaatster al tien jaar smeekte om er eindelijk mee op te houden.
-“Ik ben journalist, ja. Maar voor Het Laatste Nieuws schrijf ik allang niet meer. Dat is drie levens geleden.” Ze keek niet eens op en bleef glazen spoelen. Alsof ik er niet was. - “Ik heb een tip voor je. Een goed verhaal. Over Polleke Trein. Hij komt hier elke donderdagmiddag. Hij drinkt altijd hetzelfde: een cola voor de dorst, een geuze voor de goesting en een rodenbach omdat er na een geuze niks beter smaakt dan een rodenbach.”
- “Da’s inderdaad ongewoon, maar toch te mager om een artikel over te schrijven.” De cafébazin staakte haar bezigheden een seconde of twee. Ze keek me zowaar even aan.
- “Je moet ook niet over zijn drinkgewoonten schrijven, maar over zijn bijnaam: Polleke Trein.”
- “Hoe komt ie daar dan aan?”
- “Polleke omdat hij Pol heet. En waarom ze hem ‘Trein’ noemen, moet je hem zelf maar vragen”.
Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn voornemen om nooit nog een voet in café De Toekomst te zetten. Polleke Trein was net aan zijn geuze voor de goesting bezig als ik die donderdag de staminee opnieuw bezocht. Op het eerste gezicht kon ik niet uitmaken waarom iemand hem ‘Trein’ zou noemen. Met snelheid kon het zeker niks te maken hebben. Het leek er eerder op dat hij er ooit onder gelegen had.
- “Voor mij een koffie en voor Polleke een rodenbach”. Ik veegde een kruk schoon en nam plaats naast Polleke. Hij vroeg zich niet af wie ik was en ook niet hoe ik wist wat hij wilde drinken. Polleke vroeg zich al jaren niets meer af.
Elke minuut in café De Toekomst is er een te veel. Hunkerend naar de frisse buitenlucht liet ik de diplomatische aanpak achterwege en vroeg ik het Polleke op de man af:
- “Hoe ben jij ooit aan je bijnaam gekomen?” Hij staarde in zijn pint en haalde diep adem, alsof hij een lange uitleg wilde beginnen. Maar hij zweeg en richtte zijn blik op een zwart-witfoto van Boudewijn, die tegen de toogkast hing.
- “Wat zie jij als je naar de foto van onze koning kijkt?”
Dat Boudewijn al zestien jaar onze koning niet meer is, wilde ik Polleke besparen. Ik dacht na.
- “Wel? Wat zie je?”
Ik begreep niet waar Polleke naartoe wilde.
- “Ik zie gewoon de foto van de koning. Ik zie daar niks speciaals aan.”
- “Juist!”, zei Polleke. Het klonk als een overwinning. “Dat heb ik dus ook. Als ik naar een huis kijk, zie ik een huis. Als ik naar een boom kijk, zie ik een boom. Als ik naar de hemel kijk, zie ik de hemel. Als ik naar ...
- “Ja, ja, ik begrijp het”, onderbrak ik hem. Ik was bang dat de opsomming nog een halve namiddag zou duren.
- “Maar als ik naar een trein kijk, zie ik geen trein. Dan zie ik mezelf, vanuit die trein, naar de trein kijken. Ik woon vlak bij ‘t spoor. Elke dag zie ik mezelf voor de gesloten bareel staan wachten. Het is een rare ervaring, maar het went.”
... Het was 2 euro 90 voor de koffie en de rodenbach. Ik betaalde en was blij dat ik de deur van café De Toekomst voorgoed achter me kon dichttrekken. Maar mijn bezoek zou niet zonder gevolgen blijven. Ik kan geen trein meer zien passeren zonder aan Polleke Trein te denken.
Het is een rare ervaring en het went nooit.

