Geen Kempense kat die ooit een Chinees heeft aanschouwd
maart 2010
Een stad is als een bad waarvan de kranen continu open staan. Steeds weer krijgt een stad nieuwe toevoer van altijd weer nieuwe zaken. Pas als het bad overstroomt, worden de gebieden rondom bevloeid. Eerst komen de dorpen in de nabijheid aan de beurt. Na verloop van tijd worden ze volledig overspoeld en als voorsteden mee opgenomen in de grote kolkende massa.
Hoe verder weg een dorp van de stad gelegen is, hoe langer het duurt alvorens de tentakels het kunnen grijpen en de achterlijkheid er geworteld blijft.
Lang nadat de stedelingen al hun witte, droge rijst hadden leren eten en de vertierbuurten stilaan oververzadigd geraakten van hun restaurants, trokken de Chinezen als eerste andersgekleurde mensen uit Vlaamse steden weg en vestigden zich in de nog onontgonnen Kempense dorpen. Ze bouwden in de nederige dorpskernen gigantische eettempels met aan de gevels strakke tekens die steevast verwezen naar rijzende planeten of vruchtbare tuinen. Aan de grote ramen hingen zware gordijnen en links in de inkomham stond onontkoombaar een groot aquarium.
De Chinezen serveerden ontelbare gerechten, ordentelijk genummerd van 1 tot 98b. Ze sneden varkens en runderen in kleine onherkenbare reepjes en overgoten het vlees met glibberige substanties, opvallend door hun ongeziene en uitbundige kleurenpracht: felgeel (curry), lichtgroen (pikante curry) tot rozerood (de wonderlijke zoetzure saus).
Niemand die ooit een blik kon werpen in hun onzichtbare keukens. Toch kon het niet anders dan dat deze hoofdzakelijk werden bevolkt door afwassers, gelet op de nooit eindigende rij van kommetjes en porseleinen lepeltjes waarin de gerechten, bijgerechten en subbijgerechten werden opgediend.
Het Chinese restaurant was het eerste exotisme dat de Kempen aandeed. Gaan eten bij de Chinees was in de voetsporen treden van kruisvaarders, ontdekkingsreizigers en missionarissen.
Maar geen hond, laat staan een kat, die in de Kempen ooit een Chinees in levenden lijve mocht aanschouwen. Toch moeten ze, te meten aan het aantal restaurants, met ontelbaar velen in deze contreien aanwezig geweest zijn. Ze kwamen niet in de cafés, bezochten geen kerken, waren niet te bespeuren op jaarmarkten. Opmerkelijk: ook op zondag reden ze niet langsheen de kanalen op hun zo geliefkoosde fiets. Geen hopeloze Kempense vrouw van middelbare leeftijd die ooit een Chinees ten huwelijk heeft gevraagd. Er bestaat niet zoiets als een Chinese mulat. De Chinezen waren zo schichtig als muizen. Eenmaal opgemerkt glipten ze weg in hun holen. Is het daarom dat er tot op heden geen moord en brand geschreeuwd is over hun zeden, gewoonten en vreemde goden?
Ze hielden zich schuil in de achterkeukens van hun zaken. Enkel het oudstgeboren kind van het vrouwelijke geslacht werd als lokale attractie de eetzalen ingestuurd om de bestellingen op te nemen: flietjes of lijst?
De Chinezen zijn hier vertrokken zoals ze zijn gekomen: onopgemerkt. Vandaag zijn veel van hun eethuizen uit het straatbeeld verdwenen. Ze zijn gedegradeerd tot meeneemchinezen en vertoeven in dezelfde horeca-afdeling als frituren, pita- en pizzatenten. Wie er binnengaat, moet eerst een flink eind stappen door de enorme eetzalen van weleer waar vandaag geen grote kroostrijke gezinnen -het duurste gerecht, de gelakte eend (nr.75), kostte destijds niet meer dan 80 fr- meer aan de tafels zitten.
We hebben er het raden naar wanneer de eerste Chinezen in ons dorp zijn toegekomen. Maar als we de uitslagen van de provinciale voetbalcompetities van de afgelopen 50 jaar erop naslaan, moet het vóór 8 mei 1967 zijn. Op die zaterdagnamiddag werd in het arbeidersvoetbal de degradatiewedstrijd tussen 'Drinkers Club Wittegracht' en 'Vera Boys' gespeeld. Vera Boys kon toen in extremis in de laatste vijf minuten een 0-2 achterstand ombuigen in een 3-2 winst. Op die manier kon de club een zekere degradatie naar het cafévoetbal vermijden. Op miraculeuze wijze, dachten we toen nog.

