Bessy
december 2011
Ging u in de middeleeuwen als een razende tekeer, dan wisten de chirurgijnen daar wel raad mee. Krankzinnigheid werd bezworen door duiveluitdrijving, aderlating, purgeren of uitzweten. Een bijzondere behandeling was keisnijden, waarbij de chirurgijn een snee in het hoofd maakte en er een kei uithaalde. We kunnen daar vandaag lacherig over doen, maar zes eeuwen later bleek de geneeskunde in ons dorp nog niet veel gevorderd.
In de dagen voor ons traumatische bezoek aan een plaatselijke geneesheer-specialist -we waren zes jaar- stonden we elke morgen op met een humeur waarbij zelfs dat van Herwig Van Hove geleek op dat van een op zaterdagochtend aanbellende getuige van Jehova. Het tafereel is voor ons ego zo weinig verheffend dat het nog vaak wordt opgerakeld door bloedverwanten, liefst in het gezelschap van onze eigen kinderen. Onze ochtenden verliepen steeds als volgt: nadat we het bed hadden verlaten en ons op automatische piloot hadden aangekleed, gingen we steevast in de sofa zitten en … bleven daar zitten. We verroerden geen vin, zeiden geen gebenedijd woord. Er was niemand die zich in onze zelfafgebakende schutkring waagde. De enige die ons tijdens die ochtenden gezelschap mocht houden, was Bessy, onze hond. Het beest stond iedere ochtend trouw op onze komst te wachten, sprong naast ons in de zetel en vlijde dan zijn kop op onze schoot. Bessy was tijdens die ochtenden onze enige soulmate. Het dier was een dashond: een hondenras dat wat betreft het zich aanmeten van een droeve blik kan concurreren met het gezicht van Herwig Van Hove, gezeten voor een bord tofoe. Voor dat ochtendhumeur was geen enkele reden te vinden en daarom bezorgde het moeder en vader de nodige kopzorgen. In die mate zelfs dat we op een dag samen met moeder een bezoek brachten aan doctor N. , een neus-, keel- en oorarts. Dat gebeurde op aanraden van onze huisarts D. die onze moeder een brief had meegegeven voor zijn confrater-specialist met daarin de reden van ons bezoek, namelijk ‘aanhoudende ernstige gemoedsstoornissen tijdens de ochtendlijke periode’. N. keek niet verbaasd op. Het leek hem perfect normaal dat we met klachten over een slecht ochtendhumeur bij hem aanklopten. Hij begon dan ook zeer doelgericht met zijn onderzoek waarbij eerst ons hoofd middels kleverige proppen en draden aan tal van machines werd gekoppeld, nadien onze neus zo ver werd opengespalkt dat onze neusvleugels dreigden te knappen, om tot slot zo diep in onze keel te kijken dat hij allicht dwars door onze darmen heen licht in de tunnel zag verschijnen. Op de diagnose moesten we niet lang wachten. “We gaan zijn poliepen laten trekken”, zei hij tegen moeder. En bij die mededeling bleef het. Meer uitleg leek hem niet nodig. Met een brief voor de ingreep in het plaatselijke ziekenhuis -waar we minstens twee dagen moesten blijven- keerden we huiswaarts. ‘Het trekken van onze poliepen’ werd al snel het nieuws dat familie en buurt in de ban hield en ons tot een curiosum maakte. Niemand in onze onmiddellijke omgeving had ooit maar van ver of dichtbij gehoord van poliepen. Niemand kon ook maar bij benadering zeggen waar die poliepen zich in ons lichaam bevonden. Laat staan dat iemand wist waarvoor die poliepen dan al mochten dienen. En wat het verband was tussen poliepen en een ochtendhumeur, dat behoorde -en behoort tot op de dag van vandaag- tot de exclusieve kennis van geneesheer-specialist N. Wij weten alleen dit met zekerheid: een mens kan zonder poliepen leven. Onze exemplaren werden verwijderd in het Heilig Hartziekenhuis in het voorjaar van 1966. Nu veertig jaar later leven we nog.
Maar -zo horen we u denken- hoe verlopen nu onze ochtenden sinds onze poliepen zijn weggesneden (of zijn ze werkelijk getrokken)? Zijn we sindsdien nog zo humeurig als Herwig Van Hove die een beschuit besmeert met becel pro.activ? Alvast de eerste morgen na de operatie werden we goedgezind wakker. Dat had echter enkel te maken met een paar nieuwe voetbalschoenen die naast ons ziekbed lagen en die vader als wiedergutmachung had meegebracht voor het leed dat ons was aangedaan. Toch moeten we toegeven: onze luim is er op verbeterd. We dekken de tafel, zeggen goedemorgen tegen de huisgenoten die zich aan de ontbijttafel vertonen, smeren boterhammen voor de jongsten en delen de krant met de oudsten. Er is, zo denken we, niet echt nog sprake van een ernstige gemoedsschommeling. Alleen … alleen hebben we nog vaak een groot verlangen naar die uren op de sofa, naar dat grote geluk om volstrekt ongelukkig te mogen zijn. Of is het dat we Bessy nog steeds zo hard missen?
Print je mail !
Wanneer je van ons een beves-tigingsmail krijgt dat je vrijkaarten hebt gewonnen, druk dan die mail af en neem hem mee naar de locatie waar de voor-stelling plaatsvindt.
Vermeld ook steeds je naam en adres in de mail wanneer je wil meedingen voor de vrijkaarten.




