Beste Walter van den Broeck
januari 2012
“Moet gij niet nog eens gaan kakken? “ Dat vraagt Clara even tussendoor aan haar man Jan alvorens hij ’s morgens naar zijn werk bij het zinkbedrijf Vieille Montagne in Balen vertrekt. Dat fragment uit de film ‘Groenten uit Balen’ is voor ons het sterkste en ontroerendste dat we dit jaar in de bioscoop zagen. We willen u daarvoor even bedanken.
In de details toont zich de hand van de meester. Met een dergelijke, op het eerste gehoor onbenullige, zin toont u zich wederom de meester in het schrijven van authentieke dialogen in Vlaanderen, en bij uitbreiding in Nederland. Door dat zinnetje wordt de dialoog die u in de mond legt van twee eenvoudige mensen echt van vlees en bloed en wordt bij de kijker een zenuw geraakt die naar iets zo ongrijpbaars als ontroering leidt. Door dat zinnetje brengt u onze grootmoeders en grootvaders tot leven. Het is niet voor niets dat onze vrouw vanaf minuut twee van de film heeft zitten snotteren dat het niet meer schoon was om te zien. Want mochten onze moemoe en vava nog geleefd hebben, dan zouden ze ongetwijfeld na de film met een glunderend gezicht hebben gezegd dat het allemaal ‘zo echt’ was. Dat ze hun tijd hebben teruggevonden. Zo herkenbaar. Zo leefden de gewone mensen in die tijd. En dat klopt ook. Voor iedereen die de jaren zeventig heeft meegemaakt, zal de herkenbaarheidsfactor van de film erg groot zijn. Ook die zit hem in details: van het oranje vaasje op de schouw over de schoftzak met de boterhammen belegd met pepersossies tot en met het foeilelijke aarden servies met bruine motiefjes: van die perfect gecaste voorwerpen barst de film. (Mijn favoriet is het sigarenkistje bij de telefoon waarin niet-telefoonbezitters uit de buurt hun vijf frank moesten deponeren). Maar zo’n perfect decor valt na te maken. Je kunt het vandaag in eender welke kringloopwinkel als vintage opkopen. Alhoewel: voor sommige voorwerpen, zoals die rustieke lichtgevende bundel wuivende korenaren, moet je in de Antwerpse Kloosterstraat al veel geld neertellen.
Anders is het gesteld met taal die door de mensen in die tijd op die plaats werd gesproken. Die kan je niet zomaar ergens kopen en ze in hun mond leggen. Die woorden en zinnen moeten door iemand onthouden worden en neergeschreven. Sommige daarvan staan zelfs niet in een woordenboek. Zo hebben we ons na de film zitten suf piekeren over de uitbrander die de omhooggevallen middenstander Koen De Bouw zijn zoon in een perfect algemeen beschaafd Kempisch naar het hoofd slingert omdat hij zijn studies verwaarloost: het klonk als gardeboe, maar het bleek ‘Garde à vous!’ te zijn. Nog zo’n uitdrukking die blijkbaar ergens in onze hersenen was blijven hangen en die tijdens de film opnieuw tot leven kwam . Maar we hadden het over ‘Moet gij niet nog eens gaan kakken’. Met zo’n simpele zin roept u een ganse wereld op waar u ons als toeschouwer wil laten vertoeven. Met het woord kakken brengt u ons subiet naar een dorp, want in een stad was het woord kakken onbestaand. Het voert ons zeker ook naar een volkse buurt, want in een villawijk werd ook niet aan kakken gedaan. Toch brengt kakken ons dan weer niet naar een marginale buurt, want daar werd kakken al weer sneller schijten. Kakken voert ons ook terug naar het verleden: vandaag wordt het woord kakken zeker niet meer zo vrijuit gebruikt, ook niet in de beslotenheid van een gezin. We voelen nu al zoveel schroom om het neer te schrijven. Alors, een eerste samenvatting: alleen al met het woord kakken brengt u ons veertig jaar terug naar een arbeiderswijk en meer bepaald naar de cité rond de Vieille Montagne in Balen. Maar daarmee zijn we er nog niet. Tijd en ruimte zijn al bepaald, maar hoe zit het met de protagonisten. Ook daarop geeft ‘Moet gij niet nog eens gaan kakken’ een antwoord. Het kan niet anders dan dat deze woorden worden uitgesproken door een vrouw. Het is op-en-top een vraag die moederlijke bekommernis verraadt. Zoals: “Moet ge niet eens gaan pissen voor we vertrekken?”. Het is ook een vraag die enkel door een huisvrouw kan worden gesteld: een werkende vrouw heeft vandaag de dag ‘s morgens wel andere dingen aan het hoofd dan eraan te denken dat haar man nog eens moet kakken voor hij naar zijn werk vertrekt. Wij horen het Mireille althans nog niet zo rap vragen aan Karel (Celine daarentegen wel aan Jean-Luc…) En het feit op zich dat een vrouw uitgerekend deze vraag aan haar man stelt, vertelt alles over de relatie tussen hen beiden. Is het van de pot gerukt te stellen dat uit “Moet gij niet nog eens gaan kakken? tederheid spreekt? Neen. Het is een equivalent van ‘ik zie u graag’. Alors, om het helemaal samen te vatten: “Moet gij niet nog eens gaan kakken” is de perfecte zin om te gebruiken in een ochtendlijke scène in de achterkeuken van een citéwoning tussen twee eenvoudige mensen die mekaar graag zien. Beter dan dat kan het niet uitgedrukt worden. Zo simpel is dat. Maar … je moet er wel aan denken! En daar zit net uw meesterschap. We vragen het ons af waar u dat zinnetje hebt opgepikt. Heeft uw moeder dat tegen uw vader gezegd als hij naar ‘t fabriek in Olen ging? Hebt u dat opgevangen terwijl u als kleine jongen aan de ontbijttafel zat? Waarom bent u dat blijven onthouden om het dan zoveel jaren later te gebruiken in een dialoog in een film? En hoe hebt u die zin dan opgeschreven? Hebt u verschillende versies uitgeprobeerd? ‘Jan, moet ge niet eerst eens gaan kakken? Of ‘Gaat gij eerst nog eens kakken voor dat ge naar ’t fabriek gaat?’ Of gewoon. ‘Zijt ge al eens gaan kakken? Hebt u al deze versies luidop in uw schrijverskamer uitgeprobeerd om aan te voelen welke het best bekte? Hebt u er een halve dag op zitten kauwen om dan uiteindelijk voor die ene versie te gaan? Want jawel: de mensen beseffen niet dat achter zo’n onnozel zinnetje zoveel hard labeur zit. En dat juist in het verbergen van al die moeite uw grootste meesterschap schuilgaat. Dat het zinnetje ‘Moet gij niet nog eens gaan kakken?’ zo natuurlijk aanvoelt als het doen van een menselijke behoefte als kakken. Maar nu ga ik ophouden want ik moet zelf dringend gaan … kakken.
Veel groeten
Stijn Janssen
Print je mail !
Wanneer je van ons een beves-tigingsmail krijgt dat je vrijkaarten hebt gewonnen, druk dan die mail af en neem hem mee naar de locatie waar de voor-stelling plaatsvindt.
Vermeld ook steeds je naam en adres in de mail wanneer je wil meedingen voor de vrijkaarten.


