De big bang in woorden
april 2010
Ergens in zijn stilaan onmetelijke oeuvre laat schrijver Walter Van den Broeck wijlen Richard Proost, de toenmalige Turnhoutse burgemeester, opdraven. We hebben nog getracht de passage te achterhalen, maar tevergeefs: ze is verloren gegaan in het doolhof van Van den Broecks 1001 anekdoten, die samengebundeld ’s mans levenswerk vormen.
Maar we herinneren ons nog goed de doortocht van Richard Proost, allicht omdat de beschrijving ervan zo perfect aansloot bij onze ervaring met de burgemeester. Het ging daarbij om zijn onnavolgbare stijl -in letterlijke en figuurlijke zin van het woord- om zijn medemens aan te spreken. Van den Broeck beschrijft daarbij hoe de wat stijfdeftige burgemeester elk van zijn gesprekken -het maakte niet uit of hij nu de koning of de voorzitter van de Bond der kanariekwekers voor zich had- begon met een plechtstatige, voldragen volzin.
Nog voor die zin aan zijn natuurlijke eindpunt kon komen -en daar schuilde het addertje onder het gras - slaagde Proost er echter in hem te laten vertakken in een bijzin. En ook die bijzinnen splitste Proost weer op in nog eens halve zinnen en zo verder, en zo verder. “Mijnheer Van den Broeck, ge zult u wel afvragen, dat kan ik me trouwens levendig voorstellen, zelf zou ik ook, enfin niet dat ik onaangenaam verrast zou zijn of zo, dat moet u vooral niet denken,...” Proost sprak zoals vuurwerk. Hij vertrok van een oerknal om nadien elke vuurtentakel nog eens te laten uiteenspatten in tientallen kleinere uitlopers. Uiteindelijk liet hij een melkweg van miljoenen genstertjes over zijn toehoorders vallen. Die keken hem eerst nog met enige verwondering aan, maar zochten allengs met ontreddering in de ogen een schuilplaats.
Proost bracht de big bangtheorie in woorden. Maar het straffe was: de woordenexplosie bracht geen zwarte gaten voort. Van den Broeck had ooit een volledige zin à la Proost op papier gezet en was enigszins verbijsterd tot de vaststelling gekomen dat er zowel grammaticaal als inhoudelijk geen speld te krijgen was tussen de woordenstamelarij. De zin klopte. Punt uit.
We hebben tot op heden slechts één iemand gekend die ook deze techniek meester was. Een vrouw uit Olmen: Rosa Ooms van Straal. Ze heeft nooit voor een groot publiek gesproken en nimmer in een officieel kader. Ze sprak gewoon tegen iedereen die in haar gezichtveld verscheen, meestal in haar achterkeuken en het liefst met haar kleinkinderen als geduldig publiek.
Ook Rosa begon haar gesprekken met de aankondiging van een belangwekkend, al dan niet historisch, nieuwsfeit dat ze meestal uit de krant of het tv-journaal had opgepikt. Iedereen was al maanden van die gebeurtenis op de hoogte, maar zij deelde die aan haar tafel officieel mee. Alsof ze zelf de 42 kilometer en 195 meter tussen Marathon en Athene had afgelegd om ons het feit hoogstpersoonlijk als boodschapper te melden. “Of we al wisten dat er een zwarte in Amerika president was geworden.” Rosa legde de lat onmiddellijk hoog om zich van onze belangstelling te verzekeren. Daarna bestond haar conversatiekunst erin zo snel mogelijk de brede snelweg van het wereldnieuws te verlaten en via zijwegen in haar eigen vertrouwde achtertuin te belanden.
Dat ging zo. “Dat ze nog perfect wist waar zij de eerste zwarte had gezien. Nee: dat was niet waar. Niet zij had hem gezien, maar haar broer die in ’58 naar de Expo was geweest en daar de eerste zwarten had gezien op een tentoonstelling. Haar eerste zwarte: dat was haar eigen vent geweest toen hij uit de koolput in Beringen kwam gekropen.”
Slechts twee afritten had Rosa nodig om thuis te komen.
Op haar terrein kende ze iedere wegel en elk kerkpadje. Hier kon ze zich ten volle uitleven. Ze hield de plattegrond van het dorp voor ogen en leidde ons er rond als een schichtige zwerfkat die van links naar rechts schoot. “Dat haar vent jarenlang in de koolput had gewerkt en pas veel jaren later had gekregen waar hij recht op had: een volledig mijnwerkerspensioen. Dat ze daar was achtergekomen omdat haar buurvrouw wél een extra premie had gekregen voor de stoflong van haar vent. Dat die buurvrouw gisteren was binnengesprongen omdat ze haar rolluik niet om acht uur maar pas om halfnegen had opgetrokken. Ze had gedacht: er zal toch niets met Rosa aan de hand zijn. Ze hadden deze week Francine begraven die stommelings van de trap was gevallen en te laat was gevonden. Het menske had al zoveel leed meegemaakt in haar leven: haar eerste vent deugde voor geen meter. Maar nu sprak ze al over de oorlog. Toen werden er wel meer streken uitgehaald. Zo hadden de Duitsers op een dag haar fiets meegenomen. Een nieuwe fiets nog wel. Maar ze had hem teruggestolen. Het zweet stond in haar handen. Haar hart ging tekeer … Stanske was daarbij. Die kenden we zeker: ze woonde achter de kerk …
Terwijl voor iedereen van haar toehoorders haar verhaallijnen tot een onontwarbaar kluwen waren ineengestrengeld, was Rosa al die tijd de draad van Ariadne blijven vasthouden. Als een reisduif wist ze altijd terug te keren naar haar vertrekpunt. “Ja: ze hadden goed gegeten op het jaarfeest van de Boerinnenbond. Echt lekker. Een gevulde perzik met tonijn, dan varkenshaasje met kroketten -echt mals vlees- en nadien was er heel veel keuze geweest aan vlaaien. Maar het was weer hetzelfde geweest, zeker…”
Dan viel ze stil. Het was haar test om de oplettendheid van haar publiek te meten. Wachtte ze op een vraag? ‘Wat was weer hetzelfde geweest, moemoe?”
Ach, menneke: tijdens de mis waren die van Olmen weer van achter moeten gaan zitten. Dat was alle jaren het geval. En het was niet alleen dat het volk van Olmen achteraan moest zitten in de kerk in Balen. Ze kregen ook altijd als laatsten de uitnodiging. En als de zon scheen in Balen regende het in Olmen. En dat het allemaal geen waar zou zijn geweest als toentertijd Olmen niet bij Balen was gevoegd. Als de burgemeester iemand van Olmen was geweest, lag er nu voor haar deur al jaren riolering. “Daarom begrijp ik waarom die zwarten in Amerika die zwarte gekozen hebben. Als zij een zwarte was geweest, had ze ook iemand van haar eigen volk gekozen. Dat spreekt vanzelf.”

