Beste Bobbejaan Schoepen,
mei 2010
Ik heb hardop gevloekt toen ik vernam dat je dood was. Je moet weten: al een aantal jaren stond je bovenaan op mijn lijstje van 'Mensen die ik graag nog eens zou interviewen'. Telkens als ik je op de radio hoorde of op tv zag, en merkte hoe breekbaar je stem werd en hoe broos je lichaam, nam ik me voor om daar eindelijk werk van te maken. Jawel, ik geef toe: ik vreesde te laat te komen. Dat is dan nu ook gebeurd. Verdomme. Maar hoe zou ik in godsnaam aan die opdracht begonnen zijn? Wie zou me met jouw in contact hebben kunnen brengen? Je werd -hoe zwakker je gezondheid werd- allicht meer afgeschermd door je entourage. Je beste momenten -dat hoorde ik achteraf- bewaarde je voor het zingen van je laatste liedjes.
Ik geef ook toe dat het nog maar sinds de laatste jaren dik aan was tussen jou en mij. Je hebt me nooit ontmoet, dus ik spreek voor mezelf. Destijds, toen je hier verderop met je pretpark begon, dacht ik er niet aan om je te strikken voor een interview. Geen haar op mijn hoofd. Ik vond je liedjes maar niks. Zo hoorden thuis in de categorie 'meezingers voor moeders achter de strijkplank' of meebrullers om er een gevulde zaal van dancing De Kaasboerin in Postel op een dinsdagnamiddag mee op te zwepen. Gruwel. Ook je pretpark zinde me niet. Die cowboy vond ik maar een schertsfiguur, Amerika moest in Amerika blijven, ook al had de Kempen daar in Lichtaart veel weg van de prairie. Kun je me dat alsnog vergeven? Ja toch. Want heb je ooit jongens of meisjes in hun apenjaren 'Zie ik de lichtjes van de Schelde' horen meezingen? Ik wel: mijn vier kinderen, van zeven tot dertien, kennen het vandaag verdorie allemaal van buiten.
De ommekeer is er voor mij pas een paar jaar geleden gekomen. Toen zond Canvas -jawel, Canvas- een lange reportage uit over je carrière. Al na vijf minuten viel mijn mond open van verbazing. Je werd in één adem genoemd met Jacques Brel, die een week lang je voorprogramma verzorgde (niet andersom). Toots Thielemans speelde in je begeleidingsgroep. Je had meer dan vijf miljoen platen verkocht en 600 liedjes geschreven. En het beste verhaal moest toen nog komen: je was -en bent nog steeds- de enige Belg die ooit vijf woorden met Elvis Presley heeft gesproken. Er zijn er die daarvoor de helft van hun leven zouden hebben veil gehad. Toen is mijn frank gevallen en begon ik te beseffen wat voor een kerel op een paar kilometer van me vandaan woonde. "Ja", zal je opwerpen, "nu je al die grote mannen kent waarmee ik heb samengewerkt, ben ik plots niet meer te min. Wat een opportunist ben jij." Je hebt gelijk en ik kan maar beter zwijgen.
Kijk, je wordt nu vergeleken met Johnny Cash. Dat klopt maar gedeeltelijk. Je stem is totaal anders. Jullie repertoires liggen mijlenver van mekaar. En geen van jullie beiden is een echte cowboy. Maar net zoals met Cash ben ik jou ook in de herfst van je leven gaan appreciëren. Hoe jullie oude stemmen breken op die laatste opnames: daar wordt een mens niet vrolijk van. En laat nu juist die breekbaarheid me 1.000 maal dierbaarder zijn dan je goedgemutst gejodel en gefluit. Dat ik eens niét vrolijk werd van je liedjes, dat heeft me de definitieve genadeslag gegeven. Bewonder ik je nu? Neen, bewonderen is niet het juiste woord. Ik respecteer je zeer. Of om het in jouw woorden te zeggen: ik heb eerbied voor je.
Die dinsdag was het mijn dochter van 12 die de trap opstormde om me te komen vertellen dat ze op de radio hadden gehoord dat de zanger van 'Zie ik de lichtjes van de Schelde' dood was. Gegarandeerd dat ze dit niet had gedaan toen ze had gehoord dat Hugo Claus was gestorven. Dat zegt veel over onsterfelijkheid. Je zult dat meer zijn dan de schrijver, de schilder of de staatsman.
En mag ik je tot slot nog een raad geven: eet daarboven je korstjes op zodat je weer kan fluiten.
Met veel eerbied,
Stijn Janssen

