Te snel de klompen ontgroeid
januari 2010
Heeft de Kempen zich te laat ontwikkeld en zich nadien in al zijn haast veel te snel stadse manieren aangemeten? Is de Kempen te snel zijn klompen ontgroeid en is het de voorbije jaren naast zijn schoenen gaan lopen?
Een ondergrondse garage hoort thuis onder een plein met op zijn minst een kathedraal. Het leven in de betonnen bunkers moet een overtreffende trap zijn van het leven in jungleland boven de grond. Met hikkend neonlicht, niet te harden urinestank en een flinterdun te snijden spanning. Elke adem in je nek moet heet zijn, elke snelle voetstap achter je verdacht, elke gebruiker een potentiële misbruiker. Rij je een ondergrondse garage terug uit, dan moet je bovengronds weer opgenomen worden in een mallemolen van auto’s, trams en scooters. In T. daalden we af in helverlichte ruimten waar lange schaduwen geen kans maakten. In T. werden we bij het naar buiten rijden bovengronds gedropt in een balkdonkere wirwar van steegjes, blinde muren en woonwijken. In T. zochten we tevergeefs naar een uitweg uit het enge bos. Een ondergrondse garage misstaat hier op een gênante manier in de schaduw van een kerktoren die niet eens tot aan de enkels van een kathedraal reikt. In T. is de ondergrondse parkeergarage niet meer dan een artificiële pretparkattractie, niet het bang kloppend hart van een stad.
In het dorp K. bezochten we een klasserestaurant. “Hier klopt iets niet”, dachten we tijdens onze weg ernaartoe. Een wandeling naar een sterrenrestaurant moet sterallures hebben en geven. Moet je laten flaneren langsheen chique avenues met exclusieve modezaken. Moet je de ijle lucht laten ademen van torenhoge buildings met opspattende neonverlichting. Het restaurant moet een kruimelende façade hebben, een trap met gekrulde leuningen en een schaars verlicht portiek. Desnoods mag de weg je voeren langsheen een kaarsrechte dreef onder een boog van kruinen van platanen of kastanjes, langs mistige weilanden en geurende lavendelvelden. In het dorp K. leidde de weg naar het klasserestaurant langs nauwelijks verlichte asfaltbanen, langs smalle huizenrijen met betegelde voortuinen en hagen. We stapten langs bejaardentehuizen met schamele noodverlichting en een in onbruik geraakt kerkhof. Het etablissement lag langsheen een betonnen baan op weg naar nergens. De gevel had de uitstraling van een familiaal boekhoudkantoor. Er was geen trap, tenzij de overtreffende trap van valse bescheidenheid.
Als de Turnhoutse schrijver Koen Peeters terugkeert van een schaars bezoek aan zijn geboortestreek, beschrijft hij dit als volgt in zijn boek ‘De bloemen’: “Ik rijd binnendoor van dorp tot dorp, terug naar huis. Van Zondereigen rijd ik naar Weelde en zo naar Ravels, en van Ravels naar Turnhout enzovoort in de richting van de stad waar ik woon. Het is iets voorbij droefheid. Niets is hier eeuwenoud en het is ook zo onaf. Het is allemaal te laat begonnen en daarna met grote vaart in gang geschoten.”
Een ramp met een kerncentrale in een omheind bos is het hoogste wat de Kempen kan beogen om de wereld ooit op zijn aanwezigheid attent te maken. Het doorboren van buildings met vliegtuigen moet het overlaten aan de grote jongens.

