Een oud walske
maart 2010
Het bericht dat Annie Van Avermaet en Fons Fraeters ons de juiste uitspraak van het Nederlands zouden bijbrengen, maakte niet echt grote indruk. Connais pas. Nooit van gehoord. Maar bij onze ouders baarde het wel opzien. Fraeters en Van Avermaet presenteerden in de hoogdagen van 'Vlaams Brussel' nationwide met Joos Florquin het programma 'Hier spreekt men Nederlands'.
De ambitie was om via de beeldbuis het taalgebruik en de uitspraak van de Vlaamse Jan en Jeanne Modaal op te trekken. In primetime mochten Annie en Fons in soms wat geforceerde dialogen voordoen hoe het moest. Ze werden Bekende Vlamingen toen die term nog niet bestond.
In de tweede helft van de jaren 80 was van 'Hier spreekt men Nederlands' al lang geen sprake meer. Wat Annie en Fons niet belette om in de kelders van het Instituut voor Levende Talen de studenten van de Leuvense universiteit de beginselen van de juiste uitspraak van het Nederlands bij te brengen. Of dat toch tenminste te proberen.
Dat er ook bij mij werk aan de winkel was, hoorde ik meteen. We zaten in alfabetische volgorde en mijn buurman Joost Kaesemans -nu directeur communicatie van Febiac, de vereniging van de Belgische automobielindustrie- sprak toen al een ronkend Nederlands waarbij mijn Kempische koeterwaals schraal afstak. Het contrast tussen zijn a-, e-, i- en u-klanken en de mijne was groot. Maar Fons Fraeters leek de onvolkomenheden van mijn uitspraak vooral bijzonder grappig te vinden. De man was oud-leerling van het kleinseminarie in Hoogstraten, waar ook deze jongen zijn broek versleet. Zelfs mijn onvolmaakte huig- en keelklanken riepen bij hem blijkbaar een nostalgisch gevoel van herkenning op. Met meer geduld en toewijding dan de kwaliteit van mijn uitspraak verdiende, legde hij me omstandig uit hoe het moest. Ik heb erg veel van hem geleerd.
Dat lag dus niet alleen aan het lichtende voorbeeld van Joost Kaesemans aan mijn rechterkant, maar had vooral met de autoriteit van Fraeters te maken. Zijn opmerkingen waren terecht en aan alles voelde je: deze man heeft gelijk, hij weet waarover hij het heeft. Mijn Nederlands is er wel bij gevaren, al ontsnappen er tijdens pogingen om -als ik denk dat het zo hoort- het dialect achter mij te laten ook vandaag nog wel eens een vijftal klanken die er niet helemaal thuishoren.
Een van mijn leraren in de middelbare school had, wat mij betreft, die autoriteit niet, ook al dacht ook deze man een bijdrage aan mijn taalbeheersing te leveren . Al van bij het begin ging het mis. De eerste opmerking die hij over een van mijn teksten maakte, was dat ik het woord nonkel niet meer mocht gebruiken. In mooi Nederlands was dat oom. Oom Jan dus, niet nonkel Jan. Ik dacht van niet. "Zever", oordeelde ik. "Je zegt toch nonkel Bob, en niet oom Bob." Het viel slecht en het is niet meer goed gekomen. Tussen die leraar en mij, bedoel ik dan. Nonkel Bob is tot aan zijn overlijden vorige maand een kleine held gebleven. De nonkel is ook nooit een oom geworden.
Eén keer smaakte ik het genoegen om hem in levenden lijve te ontmoeten. In de zomer van 1994, toen ik als jong verslaggever naar de Geelse Metten werd gestuurd, een festival dat op de parking voor het Geelse stadhuis plaatsvond. Arno was er, Noordkaap, The Choice, Betty Goes Green, Brendan Croker en Zebda, achteraf heel groot geworden in Frankrijk. Een affiche die een mens vandaag een kapitaal zou kosten en toch wel wat volk op de been zou brengen, maar die op die knoerhete zomerdag amper volk trok. In de loop van de namiddag stond ook Ashbury Faith op de planken, een Vlaamse kermisversie van Red Hot Chili Peppers rond Axl Peleman, toen nog een jonge hond die tegen schenen schopte. Een cameraploeg volgde de groep voor een VRT-programma en had een speciale verrassingsgast meegebracht: nonkel Bob zelf, die met Ashbury Faith zou optreden. Toen hij werd aangekondigd, haalde dat het festival meteen uit zijn landerigheid en lethargie. Wie achter op het plein een biertje stond te drinken, snelde naar het podium, waar nonkel Bob meteen "een oud walske" aankondigde. "Vrolijke vrienden" werd ingezet, wellicht de hardste versie aller tijden. Iedereen zong vrolijk mee.
Toen ik nonkel Bob na afloop vroeg hoe hij het gevonden had, keek hij er met plezier op terug. Alleen de vraag naar zijn oordeel over Asbury Faith leek hij een tijdje te ontwijken. Tot hij, na een stilte, een oordeel velde. "Ik heb tijdens de Tweede Wereldoorlog een paar bombardementen meegemaakt. Daar deed het me aan denken."
Hij zei het traag, duidelijk en in vlekkeloos Nederlands. Fons Fraeters, jarenlang zijn collega bij 'Vlaams Brussel', zou tevreden zijn geweest.


