De trein der vaagheid

Filosofie, dat is de tak van de schrijverij waarbij de auteur al op voorhand aangeeft dat hij zich uitsluitend met de zin van het leven en andere minstens even belangwekkende zaken onledig zal houden. Iedereen uit de weg!

 

Dikwijls stijgt er al van ver een penetrante geur van ernst en plechtstatig sérieux uit de epistels in kwestie op. De lezer weet meteen: hier kan ik terecht voor verstandige bespiegelingen bij het leven zelf en bij de wereld. Streng verboden te lachen; welkom in de wereld van de diepzinnigheid. Vaak botst de lezer ook al bij de eerste aanblik op het grootste probleem van dit soort filosofische bespiegelingen: dat ze vaak zo schabouwelijk slecht geschreven zijn.

 

Ze bestaan uiteraard: de wijsgeren die iets te vertellen hebben én dat ook nog verstaanbaar onder woorden kunnen brengen. Ik pleeg ze zelfs graag te lezen. Al zijn ze zeldzaam. De filosofie heeft in de voorbije paar honderd jaar jammer genoeg in de eerste plaats een gigantische hoeveelheid onverteerbare, deerniswekkend onduidelijke brouwsels voortgebracht, waarbij de denkende medemens in kwestie ook aan de regels van de grammatica en de betekenisleer een heel eigen interpretatie geeft. Dikwijls lijkt het erop dat schrijvende filosofen verwoede pogingen ondernemen om soep aan de muur te nagelen. Tot hun eigen stomme verbazing lukt dat nooit.

 

Wie aan een studie filosofie begint, ziet zich daarmee voor twee grote uitdagingen gesteld: eerst vaak erg slecht geschreven, onbegrijpelijke teksten gaan lezen en proberen te bevatten, om dan later zelf ook dergelijke treurnis in tekstvorm te gaan afscheiden. Het eerste lukt vrijwel nooit, het tweede haast altijd.

 

Merkwaardig genoeg wordt de filosofie hierin gevolgd door de buitenwereld. Wie een indrukwekkende hoeveelheid gebakken lucht op smaak brengt met een paar metafysische algemeenheden, een vaagheid links en een gemeenplaats rechts, plus wat filosofisch jargon, en er vervolgens een titelpagina met achterflap ronddraait, wordt in de goegemeente voor vol aanzien en mag zich voortaan filosoof noemen. Kijk eens mama, ik ben denker! Voortaan wordt naar zijn mening gevraagd en mag hij over tal van belangwekkende kwesties zijn licht laten schijnen.

 

Vooral in Frankrijk is sinds Voltaire onder het banier van de filosofie (toch een discipline die ook Nietzsche en Schopenhauer heeft voortgebracht) een ware ravage aangericht. Praatjesmaker en zwetsers worden er tot de intellectuele elite van het land gerekend. Nee, ik heb het dan niet over mensen als Alain Finkielkraut of Michel Onfray, die ook echt iets te vertellen hebben, maar over zo'n taartenbakker als Bernard-Henri Lévy, de kwetterende sjamaan van de Franse intelligentsia die zichzelf een hele of halve zonnekoning waant, of -erger nog- over Jean-Paul Sartre.

 

Sartre? Die is toch al lang dood, zal u geheel naar waarheid opmerken. Vanzelfsprekend, maar nog steeds staat zijn ster hoog aan het firmament als een van de grootste geesten van de twintigste eeuw. Hoe kwalijk dat is, besef je pas wanneer je de teksten van de brave man gaat lezen. Dan kan je alleen maar de Australische essayist Clive James bijtreden, wanneer hij stelt: "Sartre wasn't wrong all the time. But he tried hard to."

 

Over de romans van Vladimir Nabokov schreef Sartre bijvoorbeeld met veel aplomb in 1939 (later opgenomen in 'Situations 1'): "Een man die zich om geen enkele maatschappij bekommert, omdat hij niet langer deel uitmaakt van enige maatschappij, een man die gratuite dingetjes in het Engels schrijft" Nabokov was een in ballingschap levende Rus, terwijl vadertje Stalin op dat moment zijn landgenoten met miljoenen tegelijk over de kling joeg. Een beetje onkies om dan zoiets over zo'n man te zeggen, toch? Niet voor Sartre, die nog lang de lof zou blijven zingen van de rode massamoordenaar met de snor en diens socialistische paradijs.

 

Sartre was een briljant jongetje, bijdehand zelfs, dat erin slaagde zijn opportunisme als een filosofische heilsleer te verkopen. Sartre was de apologeet van bloeddorstige dictators (klein gebrek geen bezwaar zolang ze maar communistisch waren), maar dat werd hem zelfs nog geen klein beetje kwalijk geduid. Sartre werd het meest gesmaakte onderdeel van de Parijse mode, het scheelkijkende neefje van Coco Chanel en Christian Dior, het schrijvertje wiens boeken je op je salontafel moest leggen als je erbij wilde horen. En dat tot ver buiten Parijs.

 

Toch wordt Sartre ook vandaag nog steeds bewonderd. Om twee dingen: om zijn gedachtegoed en zijn geschriften, én om het feit dat hij als lelijke scheelkijker toch de nagenoeg volledige vrouwelijke helft van Saint-Germain-des-Prés in zijn sponde wist te keuvelen.

 

Alleen voor die laatste prestatie is de bewondering terecht.

Share/Save/Bookmark

Het nieuwste nummer

De oudere nummers vind je in ons archief.
 

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009