Een eerlijk mens

Zomaar ineens spreekt de schilder je toe. De Catalaanse estheet richt het woord. Tot mij. Tot u. Hij heeft wel gewacht tot hij de 80 ruim voorbij is. Terwijl hij spreekt, sterft een paar honderd kilometer verder in een Madrileens ziekenhuis de oude dictator Franco. Het lijkt alsof de dood van de caudillo de geest uit de fles haalt.

Joan Miró (1893-1983) is een kunstenaar die bij leven weinig werd gefotografeerd. In de jaren 30, toen hij in Parijs woonde, werd hij wél op de gevoelige plaat vastgelegd, maar meestal in het gezelschap van zijn toenmalige vrienden: Pablo Picasso, Jacques Prévert, André Breton of Ernest Hemingway, met wie hij vaak ging boksen. Het zijn altijd de anderen die opvallen. Door hun branie, door hun blik vol zelfvertrouwen, recht in de lens. Miró ben je alweer vergeten voor je het oog hebt afgewend.Van de periode daarna zijn er al evenmin veel foto’s. Op de vlucht voor de oorlog keerde hij in 1940 terug naar Spanje. Vijfenveertig jaar lang zou hij er nog blijven schilderen, nagenoeg anoniem, terwijl hij vooral in het buitenland exposeerde en werk verkocht. Franco en de vrienden van Franco hielden niet van zijn werk. Toch mocht hij blijven. Zich laten fotograferen deed hij amper, zich uitspreken nog minder. Minzaam, rustig, zich wijdend aan zijn talent. Alleen in de nadagen van Franco, toen de technocraten de macht allang hadden overgenomen, stak Miró dissidente kunstenaars wel eens een hart onder de riem. Met weinig woorden.En dan vind je dit boek: ‘Ceci est la couleur de mes rêves’, een jaar of vijf voor de dood van de schilder verschenen. Hier spreekt Miró plots honderduit. Het doet hem hoorbaar plezier. Goed tweehonderd bladzijden, een tweegesprek met de Franse kunsthistoricus Georges Raillard, vriend van jaren. Bij Miró thuis, in zijn atelier. Correctie: in zijn ateliers, want hij heeft er meerdere. Eén voor elke discipline. Georges Raillard is slim. Hij begint het gesprek haast altijd bij een van de nieuwe werken van Miró, die verwachtingsvol tegen de muren van het atelier staan, en laat het dan uitwaaieren, naar Miró’s kunstopvattingen en zijn geschiedenis, naar liefde, haat en afkeer. Onderweg evalueert Miró zijn leven en zijn werk. “Ik zeg niet dat ik bereikt heb wat ik heb willen bereiken, dat niet, nooit; maar ik ben een eerlijk mens geweest, voilà.”Hij gebruikt termen als ‘creativiteit’ en ‘expressie’, en zelden zullen ze eerlijker geklonken hebben, zwanger van zoveel betekenis. “Mijn vak is vergelijkbaar met het geschrift. Maar het wordt niet van buiten opgelegd. Het wordt mij gedicteerd door wat ik wil uitdrukken. Er zijn geen grammaticale regels, er is geen syntaxis, er is niks. Ik moet mijn werk doen en mijn plan trekken.” Die minzame, bijna woordeloze mens blijkt bijzonder goed te weten wat hij wil. Figuratieve schilderijen horen daar niet bij. “Nee, een portret, dat zegt me niks. Mijn vrouw beklaagt zich er over, want ik heb nooit haar portret geschilderd.”Tussendoor ontsnapt hem – in al zijn minzaamheid – het een en ander. Een oordeeltje hier, een klein steekje onder water ginder. Over Picasso spreekt hij (“Ik neem hem zijn virtuositeit kwalijk”, of: “Hij heeft zich altijd omringd met de grootst mogelijke imbecielen”); over André Breton (“te dogmatisch”) en over Jackson Pollock, aan wie hij een paar even vriendelijke als genadeloze woorden wijdt: “Als vertrekpunt vind ik het heel goed. Maar het blijft beperkt. Ik heb veel respect voor hem. Ik hou van hem. Maar je mag niet ter plaatse blijven trappelen. Hij heeft dat zelf aangevoeld en zelfmoord gepleegd.”Over Kandinsky en Klee wel heel mooie dingen. Klee, de man die hem de ogen heeft geopend, al heeft hij hem jammer genoeg nooit persoonlijk mogen ontmoeten. “Ik was erg geraakt toen Kandinsky me vertelde dat Klee hem, ten tijde van het Bauhaus, over mij had gezegd: ‘Dat is een jongen om in de gaten te houden.’”. Of hij ook van Braque houdt, wil Raillard weten. In zijn salon hangt namelijk slechts één schilderij, een Braque. Dat wil toch iets zeggen? “Wij hebben werken geruild. Maar ik heb dat schilderij niet in het salon gehangen. Dat is mijn vrouw. Ginderboven stelt zij de wet, hier beneden doe ik dat…”En hoe langer Joan Miró spreekt, hoe langer deze dialoog uit 1975 duurt, hoe meer je voor hem valt. Voor de onnadrukkelijke charmes van dit kleine, koppige mannetje die voor het eerst zijn stem verheft. En voor het laatst, zegt hij er meteen bij. Voor gezwets heeft hij geen tijd. Een man voorbij de 80, die nog elke dag doorwerkt, op zoek naar nieuwe ontdekkingen. Al is de angst voor de dood geweken. Bijna al zijn vrienden zijn al vertrokken. Ondertussen blijft hij werken. En heeft hij zich een voornemen gemaakt. Een voornemen dat zoveel jaren later nog altijd grote indruk maakt: “J’aimerais mourir en disant merde.”



Share/Save/Bookmark

Het nieuwste nummer

De oudere nummers vind je in ons archief.
 

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009