El Padre Abraham
januari 2010
Wij hadden veel van Madrid verwacht. Behalve regen. Omdat het desondanks toch water goot, deden we wat de meeste Madrilenen blijkbaar ook doen op zo’n moment: wij gingen op café.
Onfortuinlijk genoeg belandden wij in een etablissement waar rond een uur of tien het geluidsvolume plots drastisch omhoog ging, en werd overgeschakeld op het soort strontplaten waar een hele roedel commerciële radiostations een roeping in heeft gevonden. Oldies van de meest ergerlijke soort, die de stilaan dronken Spanjaarden al snel noopten tot meezing- en brulpartijen. Af en toe keken we verbaasd op, wanneer één of ander Spaanse kleinood van twintig jaar geleden dat indertijd de Pyreneeën niet over was geraakt, bij onze Iberische drinkebroers een gevoelige snaar bleek te raken. Ook in Madrid zijn drank en nostalgie niet altijd een gelukkige combinatie. Toch viel er af en toe wat te lachen, bijvoorbeeld toen ons de Spaanse versie van ‘Enola Gay’ van OMD voorgeschoteld werd, die een enigszins andere tekstuele invulling had gekregen. ‘Enola Gay’ was ‘Manolo es gay’ geworden. Daar moesten we zelfs geen Spaans voor kennen.
Net op het moment dat we de regen opnieuw wilden trotseren, net dan, werd een plaatje opgelegd dat de hele tent in vervoering bracht. Het Smurfenlied! In het Spaans, zowaar. Uitvoerend artiest: El Padre Abraham y sus Pitufos. Vader Abraham en zijn Smurfjes. Ook de Spanjaarden bleken gek op dit infantiele riedeltje, voor de helft ingezongen met stemvervormers van de akeligste soort.
De ster van Vader Abraham bleek ook in Spanje even geschitterd te hebben. Dat allemaal dankzij de Smurfen. Meteen krijg je dan dat uitentreure herhaalde televisiefragment weer voor ogen waarin een ontketende Johan Anthierens Vader Abraham de mantel uitveegt, en hem op de man af vraagt wanneer Peyo, de bedenker van de Smurfen, nu eindelijk zijn geld gaat krijgen voor het oneigenlijk gebruik van zijn Smurfjes. Waarop Vader Abraham gebelgd de studio verlaat. Minstens vijf keer heb ik het herhaald gezien. Zonder veel commentaar erbij, want fragmenten worden maar herhaald als ze zonder context kunnen. Al moet zo’n context er ooit wel zijn geweest.
In ‘Ieder woelt hier om verandering’ uit 1978 van Renate Rubinstein (1929-1990) leer je bijvoorbeeld dat de schrijfster óók te gast was in het bewuste programma. Een grensoverschrijdende talkshow gepresenteerd door Johan Anthierens en de ideale schoondochter van alle Nederlandse huismoeders, Mies Bouwman. Dirigent Reinbert De Leeuw was er ook, lezen we, net als danser, acteur en übernicht Albert Mol. En ook nog twee Belgen, waar ze de namen niet van onthouden heeft. “De nationale segregatie was totaal: noord bleef noord en zuid bleef zuid, thuis was altijd best”, schrijft Rubinstein.
Het interview met Vader Abraham vormde de finale van het programma. “Elke keer verschijnt er aan het slot een gast, van wie noch Mies B. noch Johan A. weet dat-ie verschijnen zal en aan die moeten zij dan vragen stellen. Mij leek dat, eerlijk gezegd, een rot idee, want op die manier moet je niet alleen de antwoorden maar ook de vragen improviseren, dus dubbel kans dat het gelul wordt. Maar zij willen de show nu eenmaal spontaan en eerlijk houden en wisten daarom niet wie er verschijnen zou, toen de deur van de zaal om tien uur openging en de lieveling van het volk, Pierre Kartner, zich noemende Vader Abraham, door de zaal schreed en met een extatisch applaus ontvangen werd. Tot zover niets bijzonders.”
80 procent van de mensheid draagt dergelijke figuren op handen, stelt Rubinstein vast, de rest van de wereld kijkt er op neer. Niks aan te doen, niet nodig je er nog over op te winden. “Ik zou er niet over piekeren. Maar Anthierens, dat vond ik heel opmerkelijk, die werd kwaad. Kwaad! Zomaar, op het zien van de baard in kwestie. Wie doet dat nou? En nog wel voor het aangezicht van het gezonde volk dat zich zo ongezond gauw gepikt voelt. ‘Ik zit hier doodongelukkig,’ zei Anthierens, ‘en nogal piskwaad op de mensen van de televisie die u uitgenodigd hebben. Want wat mensen zoals u uitvreten, dat vind ik zo makkelijk, zo demagogisch, zo’n heel volksdeel inpakken met dat smurfenlied, daar word ik wee van.’ Kartner was perplex, en de zaal met hem.”
De populaire schlagerzanger kreeg een publieke bolwassing door “wat wel een in-tel-lec-tu-éél lijkt”. “Hoe moest dat nu aflopen? Het liep af doordat Kartner opstond, zijn diepe respect betuigde voor het Belgische publiek dat de vreugde van de kinderen in zich draagt, en met wiegende baard uit de show wegbeende. Het schot van Sarajevo -ik had een internationaal incident meegemaakt. De volgende dag was het op het ochtendnieuws.”
Zo smurft een mens ook nog eens wat.
Deze column is een voorpublicatie uit het boek ‘Het geluk van de lezer’ dat in het voorjaar van 2010 bij uitgeverij Linkeroever/Houtekiet verschijnt.


