André Bleys toont Kempense landschappen

altMOL - Vanaf 25 juni, de hele zomer lang, loopt in het Jakob Smitsmuseum de overzichtstentoonstelling André Bleys. Na Raymond Minnen is daar dus de tweede Mollenaar op rij te gast: Bleys is afkomstig van Achterbos en woont in Millegem. Maar een groter verschil dan dat tussen deze twee streekgenoten is nauwelijks denkbaar: Minnen de revolutionaire popartiest, Bleys de traditionele landschapschilder. ‘Ik popel’, zo vat laatstgenoemde zijn stemming samen aan de vooravond van de vernissage. Niet simpel, zo’n popelende kunstenaar interviewen. We spreken met een man die op weg van en naar de lagere school tweemaal daags voorbij het huis van Jakob Smits kwam en daar bij wijze van spreken zijn pet afdeed.
 

Sterk in vuil werk

 
 
 
 
De aanleiding voor de tentoonstelling in het JSM is je zestigste verjaardag. Gefeliciteerd. Maar voor ons is een andere verjaardag natuurlijk interessanter: hoeveel jaar schilder je al?
 
Heel lang al. Ik geloof dat mijn eerste olieverfschilderij dateert van toen ik dertien was. Ik heb dat werkje nog, geknoei uiteraard, niet om aan te zien, maar ik deed het toch maar. En op een foto uit de kleuterklas, van toen ik een jaar of zes was, sta ik met een verfdoos in mijn handen en een kleurboek voor mij op tafel. Dat is geen toeval. Ik kan mij echt de tijd niet herinneren dat ik niet voortdurend aan het tekenen of schilderen was. Er zijn wel eens korte onderbrekingen geweest als er een huis werd gebouwd of het gezinsleven te druk was, maar verder heb ik continu geschilderd. Een microbe, zonder meer. Daar is geen antibioticum tegen opgewassen.
 
altAcademie gevolgd?
 
Nee, in die zin ben ik het stadium van de zondagsschilder en de amateur nooit ontgroeid. Selfmade, honderd procent. Ik heb wel eens met andere mensen samen geschilderd, destijds in ’t Pierement bijvoorbeeld, maar nooit in de verhouding leraar-leerling. Schilderen is een eenzame bezigheid. Mijn leraars staan hier achter mij (wijst naar een indrukwekkende bibliotheek die kreunt onder de kunstenaarsmonografieën). Ik ben begonnen met reproducties uit tijdschriften en kalenders te knippen, want voor de ‘echte dingen’ had ik eerst geen geld. Toen ik bij het leger was en mijn maten hun soldij aan pinten uitgaven, kocht ik er kunstboeken en -boekjes mee. Dat ben ik blijven doen. Kijken naar de meesters: dat is tot vandaag zowat mijn enige leerschool geweest. En die meesters, ik zie dat ruim: de impressionisten, de expressionisten, de Wiener Sezession. Ik heb evenveel bewondering voor Oskar Kokoschka als voor Gustav Klimt, voor Egon Schiele als voor Emile Claus, voor Sam Dillemans als voor Anselm Kiefer. 
 
 
 
Je grote liefde is het Kempense landschap. Waar komt die voorkeur vandaan?
 
Ik schilder haast uitsluitend dát, inderdaad. Maar waarom? Niet makkelijk om daar de vinger op te leggen. Een rare bedenking misschien voor iemand die zich tot een onderwerp beperkt, maar wat mij het meest aanspreekt in het vak is het fysieke bezig zijn met de verf. Wát ik schilder, het onderwerp, is daar toch min of meer ondergeschikt aan. Maar ik heb zeker een groen hart. Ik voel me thuis in het landschap. En er is daar aan variatie toch echt geen gebrek. Door de wisseling van de seizoenen en het werk van de boer verandert eenzelfde locatie soms zodanig dat je ze nog nauwelijks herkent. Ook technisch voel ik me thuis in het landschap: ik heb door de jaren heen geleerd hoe ik het op het doek moet zetten. Van onderwerp veranderen zou weer een enorm leerproces vergen. Ik heb wel oog voor de schoonheid en de mogelijkheden van bijvoorbeeld de menselijke figuur of van architectuur, maar ik ben er tot dusver niet toe gekomen om ze te schilderen. Ik denk ook niet dat het er meteen van zal komen. Ik ken mijn beperkingen.
 
Hoe komt zo’n landschapschilderij dan tot stand?
 
Ik heb vijfentwintig jaar lang buiten geschilderd, zoals de groten, de ‘pleinairisten’ (lacht). Al die tijd heb ik bestaande, herkenbare landschappen geschilderd. En dat directe contact met de natuur is voor een liefhebber natuurlijk met niks te vergelijken. Het klinkt cliché, maar daar zitten in openlucht, bij goed weer of slecht, met de wind in de bomen en het fluiten van de vogels: mooi! Toch doe ik dat nu niet meer. Ik schets nog buiten, maar de werken zelf maak ik in het atelier. Dat gaat beter, omdat het dan makkelijker is om hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden. Als ik in de natuur zit te schilderen, betrap ik mij erop dat ik mij laat vangen aan details. In mijn atelier kan ik het allemaal wat beter onder controle en wat zuiverder houden.
 
De quote boven dit stuk komt uit een tekst die ik lang geleden al eens over jou heb geschreven in het tijdschrift Jakob Smits. Dat citaat vonden nogal wat lezers toen beledigend. Jij ook?
 
Absoluut niet. Ik vond dat een mooie zin, die dan nog precies weergeeft waar ik voor sta. Je moest mij daar bezig zien: warm ingeduffeld, laarzen aan, kniehoog in de smurrie. Daar kleeft bijzonder weinig romantiek aan, dat kan ik je verzekeren. Ik schilder het liefst donkere moddervelden, verregende wegeltjes, geknotte elzen onder een grauwe winterlucht. Wat niet wil zeggen dat er ook niet eens een zonnig, hoogblond korenveld met blauwe bloempjes mag tussen zitten. Maar dat brute en dat ruwe van de natuur, dat is mij toch het meest uit het hart gegrepen. In dat soort werk komt ook mijn schilderstijl het best tot zijn recht, vind ik. Ik schilder ongepolijst, met dikke verfopleg en een grove penseelstreek, traditioneel, ambachtelijk. Ik ben geen vernieuwer. Dat heeft misschien wel te maken met mijn gebrek aan scholing. Een academie opent natuurlijk je ogen voor nieuwe strekkingen en experimenten. Daar is het nu bij mij wel wat laat voor, en de tijd is voorbij dat ik dat erg vond.
 
Geen experimenten?
 
Zo af en toe toch wel eens. (Haalt twee schilderijtjes uit het atelier). Kijk, dit is twee keer hetzelfde landschap. Alleen: het ene is de abstracte versie van het andere, pure compositie. Iemand die alleen de abstracte versie ziet, zal die niet als een landschap herkennen. Dat wordt pas duidelijk als het figuratieve werkje ernaast hangt. Voor mij zijn de twee trouwens minder verschillend dan voor een buitenstaander. Ik componeer mijn landschappen namelijk op exact dezelfde manier als dit abstract werk. Maar meer dan een probeersel is dat voor mij niet. Het is studiemateriaal; dat komt niet buiten. Abstract schilderen ligt mij gewoon niet. Het is mij te mager. Ik wil met olieverf meer doen dan zuiver compositie maken.
 
Tot slot nog iets over de tentoonstelling. Het wordt een overzicht van die vele jaren schilderen?
 
Ja, op uitdrukkelijke vraag van de organisatoren. Het JSM is een museum, geen galerie. Dat oudere werk samenzoeken is altijd wat moeilijk, maar ik zorg wel voor een compilatiewand met ‘herinneringen’. Ik ga terug tot de jaren 70, na strenge selectie. Maar het merendeel zal recent werk zijn, uiteraard.
 
Succes gewenst. We komen kijken.
 
Tekst: Ivo Verheyen
Foto’s: Bart Van der Moeren
 
Landschappen van André Bleys                                                
Van 25 juni tot 14 augustus in het Jakob Smitsmuseum, Sluis 155 A in MOL.
Alle dagen van 14 tot 18u, maandag gesloten.
 
 
 
 
 
 
 
Share/Save/Bookmark

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Print je mail !

 Wanneer je van ons een beves-tigingsmail krijgt dat je vrijkaarten hebt gewonnen, druk dan die mail af en neem hem mee naar de locatie waar de voor-stelling plaatsvindt.

Vermeld ook steeds je naam en adres in de mail wanneer je wil meedingen voor de vrijkaarten.

Het nieuwste nummer

 
De oudere nummers vind je in ons archief.
 

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009