november 2011
HERENTALS - Amerika, het land waar alle dromen uitkomen, blijft tot de verbeelding spreken, ook tot die van Herentalsenaar Jan Van Loy. In zijn tweede boek, de verhalenbundel ‘Alfa Amerika’ vertelde hij al de geschiedenis van enkele Vlamingen die het aan de andere kant van de oceaan willen waarmaken. Dat thema wordt terug opgediept in ‘Ik, Hollywood’, een vuistdik boek met epische allures over het leven van een filmtycoon.
Ik ontmoet Van Loy in de refter van het WPG-gebouw in Antwerpen, het grote concern waar ook Van Loys uitgeverij Nieuw Amsterdam zijn onderdak heeft. De ietwat nasale toon in zijn stem en een zware L verraden het: ik heb hier met een streekgenoot te doen. Jan Van Loy woont al meer dan twintig jaar in de koekenstad, maar het Herentalse taaltje heeft hij met trots behouden. “Ik vind het altijd raar als mensen die een dialect 24 jaar lang gesproken hebben plots anders gaan spreken omdat ze op een andere plek wonen. Dat Kempens, dat kan je toch niet verbergen. Ik mis ook wel het vele groen dat je rond Herentals hebt. Vroeger ging ik graag spelen in de bossen langs de Nete. Dat zorgt dus soms voor nostalgie. Voor de rest moet ik wel zeggen dat ik graag in Antwerpen woon. Alles is hier veel anoniemer. Als je in de Kempen schrijft voor je beroep, word je toch meer beschouwd als een raar mannetje. Ik zou er eerlijk gezegd nooit naar terugkeren. Als ik nog verhuis, is het naar een veel grotere stad.” Jan Van Loy wordt graag met rust gelaten. In stilte op zijn computer werken aan een boek past bij zijn natuur. Aan deadlines heeft hij een hekel. Hij blijft schrijven, schrappen, schaven en sleutelen aan een tekst. Pas als het echt moet, geeft hij zijn manuscript uit handen. Ook aan ‘Ik, Hollywood’ heeft hij lang gewerkt. Het idee stamt van 15 jaar geleden. Vele jaren research later is het een zwaargewicht geworden van 640 pagina’s. “Tja, ik ben er niet aan begonnen met het idee om een dik boek te schrijven, maar als je de opzet zag, namelijk de filmgeschiedenis overspannen in een levensbeschrijving, dan wist je gewoon dat dit geen kleintje zou worden.”
Ik heb sympathie voor de einzelgängers die het maken
Heeft Hollywood altijd tot jouw verbeelding gesproken?
“Ja, het is voor mij de hoofdstad van de populaire cultuur. Het is zelfs niet eens Amerikaans. Er zijn mensen vanuit de hele wereld naartoe gekomen, mensen die niets anders konden doen of wilden doen. Showbizzmensen in die tijd waren gewoon verschoppelingen. Op die plek konden ze opnieuw beginnen. Je had daar veel mensen zonder verleden of met een gecreëerd verleden. Dat heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken. Men zegt vaak dat Amerika New York is, of Hollywood, maar dat klopt dus niet. De echte Angelsaksische Amerikanen vind je daar niet. Het is een samenraapsel van Duitsers, Fransen, Canadezen, Oost-Europeanen en veel Joden. Zij maakten hun eigen versie van Amerika. In veel vroege films speelt New York bijvoorbeeld een hoofdrol, maar dat was een decor in een studio, hé. De eerste keer dat ze met een camera naar New York zijn getrokken was pas eind jaren 20. Dat was revolutionair toen. Iedereen mocht ook deel uitmaken van die Hollywoodgemeenschap. Er is in de jaren 20 zelfs een Belg regisseur geworden voor MGM. Je werd niet met de vinger gewezen als je geen Amerikaan was. Het waren gewoon de beste mensen die werden geselecteerd. Dat zou men in Europa nooit gedaan hebben. Daar speelden die overwegingen van de ‘oude wereld’ over naties en staten een veel grotere rol. Ik ben ondertussen ook in Hollywood geweest, maar het is allemaal heel hard veranderd. Om het boek te schrijven, heb ik ook een reis in de tijd moeten maken. Hollywood was gewoon een dorp met wat sinaasappelbomen toen de eerste studio werd opgericht. Toch vond ik het belangrijk om de schaal van de dingen te zien. De bergen zijn er natuurlijk nog, en ook de geur van de planten, bomen en auto’s.”
Had de kleine Jan Van Loy ook al een fascinatie voor de filmwereld?
“Oh, zeker. Het is me met de paplepel ingegoten. Herentals had toen drie bioscopen, wat veel was, want Geel had er maar één en die was alleen op zondag open. Je had de Lux, de Plaza en de Funkis. De Funkis was een echte luxebioscoop met rode pluchen zetels, zoals nu de gewoonte is. Daar werd elke week de ‘betere film’ vertoond. Een waardevolle film noemden ze dat. De Lux en de Plaza, met houten bankjes en balkonnetjes, waren voor het gewone volk. Er zijn periodes geweest dat ik daar heel vaak vertoefde, soms één tot twee keer per week. Vooral de vertoning van Jaws is mij erg bijgebleven. Heel de Zandstraat stond vol met mensen die naar binnen wilden. Op den duur zat heel de zaal vol en zaten er mensen op het gangpad. Het was een collectieve belevenis; iedereen krijste op hetzelfde moment. Op school wisselden we krantenknipsels en advertenties van Jaws uit. De oudere filmsterren heb ik vooral via de tv leren kennen. Toen werd op BRT 2 op zaterdagavond om 20.30u de hoofdfilm uitgezonden en dat was dan Casablanca of zo. De meeste mensen laten dat dan achter zich, maar bij mij is die interesse altijd gebleven. Dat was zo met alles waar een verhaallijn in zat. Met boeken en strips dus ook; die hielden me echt in de ban. Dat is misschien ook een reden waarom ik niet in een dorp wilde wonen. Mijn omgeving deed het allemaal af als dromen. Ze zeiden bijvoorbeeld tegen mij over Willy Vandersteen: ‘Die man doet dat allemaal maar voor en na, je moet niet denken dat je daar je beroep van kan maken.’ Ik wilde ook striptekenaar worden toen ik 11 was en als ik dat vertelde in de klas zei de leraar: ‘Maar wat wil je echt worden. Zeg nu eens iets serieus.’ Die mentaliteit, daar heb ik het moeilijk mee gehad.”
De beginjaren van de film zoals jij ze ook beschrijft, hebben iets heel dubbels. Het publiek is er gek op en er valt goed geld mee te verdienen, maar de goegemeente ziet het als een verderfelijke bezigheid.
“Ik vind het juist daarom zo gek dat ze Hollywood hebben uitgekozen als filmstad. De gemeenschap was er gesticht door prohibitionisten, mensen die overal tegen waren: alcohol, dans, theater en zeker de filmpjes. Het waren mensen uit Iowa en Nebraska die hun laatste levensjaren kwamen slijten met het geld dat ze op hun boerderij verdiend hadden. Ze hadden een heel eng wereldbeeld en wilden daar een idyllisch tuindorp stichten. En juist dat koos men uit om filmpjes in te gaan maken. Ironisch eigenlijk. Men had het ook in Florida kunnen doen of nog zuidelijker, in Californië, waar het nog minder regende. Je krijgt dus echt een clash tussen de showbizzimmigranten en die traditionele Amerikanen die alleen uit zijn op het heil van het hiernamaals en de filmmensen verachten.”
Ligt de geschiedenis zoals je ze beschrijft in je boek kort bij de historische werkelijkheid?
“Ja, héél precies. Het begint niet voor niets in 1909. Dat was een heel turbulent jaar in de geschiedenis van Hollywood. Het boek zou heel ongeloofwaardig worden als ik met die dingen zou gaan schuiven, vooral voor mensen die er ook iets van kennen. Ik ken de geschiedenis zelf heel goed en zondigen tegen de historische context kon ik niet. Het zou dan historische sciencefiction worden en dat was niet de bedoeling. De namen van de sterren en films heb ik wel veranderd; het blijft immers een roman. Maar het had allemaal kunnen gebeuren en is vaak ook zo gebeurd.”
Je beschrijft de geschiedenis van Hollywood aan de hand van een studiobaas. Waarom dat personage en geen blitse ster?
“Dan zou het een kleinere wereld worden. De carrière van een ster is vaak niet zo lang. Trouwens, ik vind de figuur van de studiobaas ook veel mysterieuzer. Als je de biografieën van die mannen leest, zijn er altijd heel wat vraagtekens. Er wordt vaak heel weinig verteld over de jeugdjaren. Ze stonden zelf ook niet graag in de spotlights. Van William Fox, toch een bekende naam, zijn nauwelijks foto’s te vinden. Dat wou ik dus veel liever onderzoeken dan zo’n ster wiens opgang en ondergang zich op een korte periode afspeelt en van wie het verhaal ook veel klassieker is.”
Jouw held, Louie Peters, lijdt aan het calimerocomplex: “Zij zijn groot en ik ben klein”. Hij is een harde zakenman en niet altijd even koosjer met de vrouwen. Toch vind ik hem heel sympathiek.
Het boek beschrijft zijn leven in alle facetten. Je leert hem dus goed kennen. Je weet wat zijn drijfveren zijn en hoe de wereld een impact heeft op hem. Hij is niet alleen negatief t.o.v. de wereld, hij máákt ook iets van de wereld. Hij is een selfmade man en daar moet je respect voor hebben. De serieuze burger overwoog toen zelfs niet om ooit iets met die filmpjes te doen. Het was een rage die voorbij zou gaan. Louie heeft tegen de stroom opgeroeid, hij had die visie en het lef. Je moet het toch maar doen. Je bent ook een beetje dát wat je doet. Het heeft misschien ook te maken met mijn eigen keuze. Als je zegt dat je schrijver wordt, moet je ook tegen heel wat vooroordelen ingaan.”
In die zin is de Kempen misschien ook te vergelijken met het vroege Hollywood?
(lacht) “Ja, in zekere zin wel. Zeker wat die weerstand tegen anders-zijn betreft. Ik heb ooit zelf, toen ik 15 was, in Herentals in een film meegespeeld. Het was een parodie op de groep Kiss en we vielen met onze make-up en pruiken heel hard op. Toen zijn we vaak uitgescholden geweest: ‘Doe gewoon, dat is al gek genoeg’. Dat heeft bij mij altijd het tegenovergestelde effect. Dan doe ik het toch. Daardoor heb ik wel de sympathie gekregen voor die einzelgängers die het maken.”
Op het einde van je boek laat je een journalist opdraven die de biografie moet schrijven van een verschrompeld mannetje dat de stichter van Hollywood zou zijn. Daar begint het geloof van de lezer in Louie Peters te wankelen. Wat kan men nog geloven van zijn verhaal?
Ik wou die dimensie graag toevoegen. Dat wat verteld wordt, is vaak afhankelijk van de verteller. Dan krijg je ook het typische van geschiedenis in het algemeen en die van Hollywood in het bijzonder: hoe los-vast zijn die mythes en verhalen? Vaak zijn ze ook altijd klakkeloos overgenomen. Als je het dan goed gaat onderzoeken, zie je dat het anders in mekaar zat. Dat wordt altijd pas vanop grote afstand duidelijk. De actualiteit is vaak heel wazig. Het is pas wanneer het geschiedenis wordt, dat het duidelijker is. En zelfs dan is de waarheid heel precair, want veel komt van horen vertellen.”
Wat heb jij met Amerika? Een van jouw vorige boeken, ‘Alfa Amerika’, speelde er zich ook al af.
“De hoofdzaak is dat het voor een schrijver een interessantere omgeving is omdat er veel minder vaste structuren zijn dan hier. Heel simpel uitgedrukt is Amerika een experiment. We zetten een paar miljoen mensen bij elkaar en we zien wel wat eruit komt. Als ze echt te veel beginnen te moorden en te drinken, doen we er dán wel iets aan. Dat is het Amerikaanse experiment: wat gebeurt er als je een hoop mensen bij elkaar zet met al hun hebzucht en ambitie? Dat idee interesseert mij ook vanuit filosofisch opzicht. Wat gebeurt er als je het menselijk dier zijn gang laat gaan? We weten nu dat het dan dikke ellende wordt. Amerika heeft ook een grote invloed gehad op mijn leven, de film en de popmuziek. Het leek altijd of het ginder gebeurde. Als het regent in Amerika druppelt het in Europa hé. Ik heb er nu wel een andere kijk op. Het is geen beloofde land meer, maar we worden er wel door gedomineerd. Het is niet anders.”
Het is jouw vierde roman. ‘Bankvlees’, de roman waarmee je de debuutprijs won, verscheen in 2004. Is schrijven een late roeping?
“Nee, ik heb het altijd gedaan. Vóór ‘Bankvlees’ heb ik kortverhalen gepubliceerd in tijdschriften en ook enkele romans geschreven, maar die zijn nooit goed genoeg bevonden. Op een gegeven moment dacht ik dan maar dat ik een gewoon leven moest gaan leiden. Je hebt als schrijver ook zo veel kritiek te verdragen en dat werd ik beu. Men is ook heel kort en hard in het afwijzen van je verhalen. Je krijgt dan een brief met een standaardformule en vaak zelfs zonder een echte handtekening. Herman De Coninck was daar anders in. Hij schreef een brief terug met wat hij ervan vond. Hij heeft me aangemoedigd om verder te doen. Hij was de enige die begreep dat het belangrijk was voor mij om een mening te krijgen over mijn verhalen. Het was pre-internet en je moest lang wachten op die geschreven brief. Het was dus iets om te koesteren.”
Je was ook een tijdje schrijver-bohemien?
“Ik heb een tijd het plan gehad om voltijds schrijver te zijn, ja. Ik heb toen twee jaar op een zolderkamer gewoond. Het was een verschrikkelijke periode. Je had nauwelijks genoeg om rond te komen en het werd moeilijk als je nieuwe schoenen nodig had. Je moest lenen bij vrienden en familie. Ik ben er later ook van teruggekomen, want het was een heel beperkt leven. Wie schrijver wil worden, kan beter eerst de combinatie maken met een gewone job.”
Jouw eerste bestseller, heb ik me laten vertellen, was een website over Windows en die heeft uiteindelijk ook geleid tot jouw eerste gewone baan als informaticus. Van filosoof en schrijver tot informaticus: da’s een wereld van verschil.
“Ja en neen. Er is toch een verband te vinden, hoor. Zo heb ik altijd de neiging om naar de oorsprong van de dingen te gaan. Toen ik een foutmelding op mijn computer kreeg, kwam die trek naar boven. Wat wilde die mysterieuze taal van codes zeggen? Ik moest weten wat het betekende en dan ben ik de antwoorden maar op een website (www.windowstrouble.com nvdr) beginnen te zetten. Die site heeft vele honderdduizenden bezoekers gehad. Hij was echt gericht op de gebruiker en dat sprak de mensen wel aan. Maar het was ook zo’n tijdrovende bezigheid dat ik er na een tijd maar mee opgehouden ben.”
Heb je intussen het gevoel dat je je stem als schrijver gevonden hebt?
“Dat is het voordeel van later te debuteren. ‘Bankvlees’ was al het vijfde boek dat ik schreef en toen het af was, wist ik dat dat mijn toon was. Ik deed gewoon mijn ding zonder te willen lijken op iemand anders of zonder vooroordeel over wat en hoe ik moest schrijven. Ik moet voelen dat ik niet beperkt word door een opinie van iemand anders. Het moet mij boeien en dan hoop ik dat iemand anders het ook boeiend vindt. Men zegt vaak dat ik toegankelijk en leesbaar schrijf, maar dat is hoe ik het zelf wil.”
Wat jij zelf wil, is blijkbaar ook wat anderen willen. Je boeken stonden al op verschillende shortlists en wonnen ook prijzen. Ben je daar dan niet mee bezig?
“Als ik zeg dat ik voor mezelf schrijf, wil dat niet zeggen dat ik niet benieuwd ben naar wat anderen ervan vinden. Dat is zeker zo. Ik moet blijkbaar iets raken bij het publiek, maar het wekt steeds mijn verbazing op. Ik voel me eerder een buitenbeentje, zowel in de gewone als in de literaire wereld. Ik heb zelden iets van: ‘Zie je wel’. Dat zeggen andere mensen tegen mij. Ik heb altijd bescheiden verwachtingen en dat is maar goed ook in deze sector. Het hangt van zoveel dingen af of je boek een succes wordt.”
Heb je al iets nieuws in de pijplijn zitten?
“Ik ben met iets nieuws bezig, maar ik zeg daar niet graag iets over. Het kan bij mij nog altijd veranderen. Voor de aanvraag van de werkbeurs van het Fonds voor de Letteren moet je trouwens ook altijd zo’n korte omschrijving geven. Dat vind ik zo moeilijk en daarom doe ik het liever niet.”
Tekst: Katrien Lodewyckx
Foto: Bart Van der Moeren
IK, HOLLYWOOD
In zijn vierde roman neemt Jan Van Loy ons mee naar de beginjaren van Hollywood, toen de legendarische filmhoofdstad nog slechts een dorp was met enkele stoffige straten in de schaduw van Los Angeles. 640 pagina’s lang zien we het oord groeien tot een plek van glitter, glamour, roem en verderf. Het is de verblijfplaats van beroemdheden en mogols, de machtige filmbazen die de sterren maken en enkele jaren later ook genadeloos weer kraken. Op de achtergrond trekt de geschiedenis voorbij. De wereldoorlogen, de beurscrash en de holocaust verscheuren de wereld, maar de filmfabriek blijft onophoudelijk draaien… The show must go on, nietwaar.
Centraal in deze verzonnen biografie staat Louie Peters, een opdondertje van anderhalve meter. Zijn lengte is zijn grootste frustratie, maar meteen ook zijn belangrijkste drijfveer. “Niemand, niemand meer dan hij wilde de grootste zijn.” Samen met zijn broer sticht hij de eerste ‘filmpjesfabriek’ aan de westkust. Die groeit in enkele decennia uit tot een miljoenenindustrie. En toch, ondanks al het succes, de blockbusters, de mooie vrouwen in zijn nabijheid en al de weelde, heeft Louie Peters niet de gave om gelukkig en tevreden te zijn… wel die om heel oud te worden. Honderd pagina’s voor het einde van het boek maakt Van Loy een sprong in de tijd. Het is oudjaar 1999 en de berooide journalist Dirk Jansen krijgt de opdracht de biografie te schrijven van een 108-jarige man die de stichter van Hollywood zou zijn. Zijn bron: een dik pak vellen met aantekeningen, bijeengekrabbeld door Peters’ assistent. In deze epiloog krijgt Van Loys vlotlezende soap over de filmgeschiedenis zijn gelaagdheid. Hoe onderscheidt de biograaf waarheid van fictie en is het verhaal van Hollywood niet zelf één grote fantasiebubbel?

Plaats reactie