december 2011
TURNHOUT - Je zal het altijd zien: als je een voorstelling maakt over iets, blijkt dat juist ook in je eigen leven heel erg van toepassing te zijn. Of ben je gewoon heel gevoelig voor de thematiek waarrond je op dat moment werkt? Hoe dan ook: er is dit jaar veel samengevallen voor theatermaakster Nathalie Roymans (40). Bij Het Gevolg in Turnhout maakte ze de voorstelling ‘De Jas’. Over hoe ingrijpend veranderingen in een gezin kunnen zijn. 2 weken na de première beviel ze van haar eerste kind: Olav. De Jas is in december nog bij Het Gevolg te zien. Olav hopelijk nog veel langer en op veel meer plaatsen.
Nathalie Roymans verhuisde jaren geleden al van Turnhout naar Antwerpen. Toch speelt een groot deel van haar professionele en familiale leven zich nog af in de Kempen. In de Warande is ze onder meer een van de docenten die bij Kaaiman jongeren inwijdt in de boeiende wereld van het theater. Bij Het Gevolg maakte ze al ‘Radio Futura’, 'Zo mooi, zo blond en zo behaard', ‘De Goeie, de Slechte & de Lelijke' en nu ‘De jas’: een jeugdvoorstelling over een meisje dat haar ouders verliest en via een advertentie in de krant opnieuw iemand hoopt te vinden die haar een familiegevoel kan bezorgen. Een jas die ze ontmoet, lijkt daarbij te kunnen helpen, maar dat draait anders uit.
Roymans maakte de voorstelling tijdens haar zwangerschap. In haar appartement treffen we haar nu aan tussen de dozen en opzijgeschoven meubels, want er wordt verbouwd.
Je bent duidelijk gegaan voor veel projecten tegelijk. Is dat allemaal wat meegevallen?
Al met al wel. Ik heb die voorstelling om zo te zeggen met dichtgeklemde benen gemaakt, met de schrik dat ik ze niet zou kunnen afmaken. Ik wist ook niet wat het was om te regisseren als je zwanger bent, en ik merkte dat dat vooral mentaal veel moeilijker is dan fysiek. Ik dacht dat het fysiek lastig zou zijn, maar dat viel goed mee. Ik moest gewoon op een stoel zitten. Maar mentaal neemt dat een deel van je aandacht weg. Het slorpt een deel van je zorgen op, terwijl je voor een voorstelling eigenlijk 100 procent aanwezig moet zijn. Die knop moest ik wel eens omdraaien, zo van: nu ben ik er voor de voorstelling, en dat zwanger zijn zie ik dan vanavond wel weer. Al met al was dat niet zo slecht. Ik was het tot nu gewoon om, als ik een voorstelling maak, daar helemaal in te duiken en daarin te verzuipen. En nu ging dat niet.
Deze voorstelling is het einde van een bewogen periode
Brengt zo’n zwangerschap inhoudelijk ook veranderingen? Kijk je dan anders en ben je op een andere manier met maken bezig?
Ik heb me er wel op betrapt dat ik soms heel melig was (lacht) en enorm ontroerd kon zijn door dingen waarvan ik wist dat ze me vorig jaar niet op deze manier zouden ontroerd hebben. Gelukkig werk ik samen met een dramaturg (Bram Verschueren, nvdr) aan wie ik dan kon vragen: “Bram, ben ík dat nu, of zijn dat de hormonen?” Maar al met al heb ik wel gemaakt wat ik op dat moment wilde maken en als ik het dan terugzie, denk ik niet dat het resultaat zwaar door de zwangerschap is beïnvloed.
Twee weken na de voorstelling is dan de baby geboren. En het gekke is dat ik nu wel merk: “Ah, daar gaat die voorstelling over. Ik voel nu nog beter dat het wel klopt wat ik wilde vertellen. Dat het inderdaad moeilijk is wanneer de pionnen worden verzet binnen je gezin. Eerst was het een cognitief weten en vermoeden en nu merk ik: het is echt zo. Iedereen moet echt verschuiven op het moment wanneer er een nieuwe binnenkomt. Niets blijft hetzelfde, alles staat op zijn kop. Dat ondervind ik nu aan den lijve.
Hoe of waarom ben je destijds aan ‘De Jas’ begonnen? Hoe is dat verhaal ontstaan?
Dat is lang geleden ontstaan door twee dingen. Ten eerste een modefoto van een jas, die tegen de muur was geplakt. Ik zie zoiets en blijkbaar sla ik dat dan ergens op. Dat beeld bleef in mijn hoofd donddwalen. En ten tweede was er ‘De jurk’ van Alex van Warmerdam, een film waarin de hoofdrol is weggelegd voor een zomerjurk. Ik heb het altijd plezierig gevonden dat een object een zo belangrijke rol kan spelen in een film. Op een gegeven moment valt dat samen. Ik wou iets gaan doen met een jas en dan zijn we beginnen nadenken: wat is die jas dan precies? Waar komt die terecht? Het hele verhaal is daar maar later bijgekomen (met tekst van Esther de Koning, nvdr). Al snel kwamen we erachter dat het niet speelbaar is als je alleen maar zegt: je tegenspeler is een jas. Als speler kan je daar hoogstens eens raar naar kijken en er eens rondlopen, maar dan heb je het zowat gehad.
We zijn dus gaan zoeken: bij wie komt die terecht en waarom juist bij die mensen? En zo zijn we bij het luik ‘gezin’ terechtgekomen. Dat is dan weer een ander thema dat bij mij al lang speelt. En zo komen dingen op een gegeven moment samen.
‘De Jas’ is eigenlijk verzonnen op een moment dat mijn privésituatie plots extreem veranderde. Van een relatie hebben naar weer alleen zijn; van een enorme kinderwens naar het besef dat het er waarschijnlijk niet meer in zou zitten. Vanuit die behoefte en de schrik dat ik nooit een gezin zou hebben, ben ik dan iets gaan maken over gezinnen. De grap is natuurlijk dat je alweer 3 jaar verder bent tegen het moment dat zoiets in première gaat. En in die tijd was de situatie zo gekeerd dat er toch een nieuwe man in mijn leven is gekomen en ik toch zwanger werd.
De voorstelling gaat onder meer over zoeken naar geborgenheid, iets wat een jas kan bieden. Maar de jas in de voorstelling doet dat niet. Die is meer een indringer.
Hij wordt een indringer, ja. Eerst wil het meisje een jas als een tweede huid die bescherming biedt. Later blijkt dat haar vervangmoeder veel liefde en warmte geeft aan de jas. Op dat moment is de jas een rivaal geworden, een indringer.
Natuurlijk ook weer iets wat we allemaal kennen in ons eigen leven. We hebben bepaalde verwachtingen bij mensen die we leren kennen, maar soms draait het anders uit.
Ja, en je bent blij als die komen, maar… ik stel me nu die vraag ook bij mijn zoontje. In hoever zal ik hem kunnen laten zijn wie hij is? Ik heb immers verwachtingen. Over familiefeestjes en gezellige feestdagen. Maar verwachtingen koesteren is gevaarlijk.
Ik ben geen getormenteerde kunstenares meer. Maken is maken. Of dat nu theater is of een cake.
Heb je al reacties gekregen van kinderen die de voorstelling hebben gezien?
Kinderen vinden de jas, wanneer hij beweegt, griezeliger dan ik had gedacht. Daar schrik ik van, want ik kan alleen maar lachen met de knulligheid van de mechaniek: de jas hangt gewoon over een ladder en we laten heel duidelijk de stroomdraad en de motor zien. Maar ik zie kinderen toch in mekaars bil knijpen als de jas komt.
Voor sommige kinderen is de voorstelling moeilijk. Je moet tussen de lijnen lezen waarover het gaat. Je ziet immers alleen een jas die binnenkomt, maar in feite draait het stuk rond relaties en verlangens. Dat vraagt interpreteerwerk. En dan merk ik dat deze generatie kinderen die van ‘The Pirates of the Carribean’ is. Ze zijn het gewoon veel actie en hapklare brokken voorgeschoteld te krijgen. Pas op, ik wil ook niet vervallen in: “Ziet ge, ze krijgen op tv alleen maar makkelijke dingen voorgeschoteld.” Maar ik merk toch wel dat het steeds moeilijker wordt als je hen iets voorschotelt waar ze zelf nog op moeten doorkauwen. Als je dan doorvraagt: “Denk je dat het gezellig is daarbinnen? Zou die vrouw nog lang bij dat meisje blijven? Zou dat meisje gelukkig zijn?”, dan hebben ze daar heel interessante dingen op te zeggen en dan merk je dat ze het wel weten en juist aanvoelen, maar ze komen er zélf niet meer op.
Ik heb ook getwijfeld: moet ik het makkelijker maken, moet ik het eenduidiger maken? Maar dat zou niet gewerkt hebben bij deze voorsteling.
Je stoot daar op een lastige kwestie, denk ik. We zijn allemaal gevormd door tv en hoe tv de dingen aanbiedt. Automatisch is dat de manier waarop we naar de dingen kijken, ook naar theater. Je kunt dat betreuren, maar het is een realiteit. Vind je dat je daar als theatermaakster rekening mee moet houden?
Ik vind dat een heel moeilijke discussie. Enerzijds wil ik mijn eigen ding doen en bewonder ik radicale mensen die zich van niks iets aantrekken. Anderzijds denk ik, zeker bij een kindervoorstelling: “Tja, die kinderen hebben er niet voor gekozen om hier te zijn. Ze zijn hier met de school of met hun ouders. Ik nodig hen uit en dan vraag ik nog om te zitten en te zwijgen en te luisteren. Dan is het maar een vorm van elementaire beleefdheid dat je toegevingen doet en het zo interessant mogelijk maakt.” Ik probeer tijdens zo’n voorstelling zo dicht mogelijk bij mezelf te blijven, maar in mezelf die dingen boven te halen waar zij ook iets aan hebben. Zoeken naar een gemeenschappelijke fascinatie. Ik heb in het onderwijs gestaan. Ik weet dat je de focus soms eens moet verleggen om de aandacht scherp te houden. Ik ken mijn publiek ook. Als kinderen op hun stoel beginnen te schuifelen, weet ik wel hoe laat het is.
Je hebt ondertussen ook ervaring opgebouwd. Je kan snel inschatten of iets aanslaat.
Ja, maar ook… er hang een soort cultus dat je alles moet begrepen hebben. En onder ‘begrijpen’ verstaat men dan: er achteraf helder over kunnen praten. Dat staat heel hoog in het vaandel. Ook buiten het theater, trouwens. Wat je niet perfect kan analyseren en onder woorden brengen, heb je niet begrepen. Maar zo zit het leven niet in elkaar. Er is niks mis mee om al babbelend achter de ware toedracht te komen. Soms moeten dingen ook gisten. Het kan perfect dat je na een week zegt: “Ah, maar dat doet mij daaraan denken”. Dat hoeft niet meteen na de voorstelling.
En volwassenen voeden dat. Ik merk dat na voorstellingen de volwassenen aan hun kinderen vragen: “Waar gaat het over? Heb je het begrepen? Wat gebeurde er toen?” Mensen hebben blijkbaar de behoefte om dat heel klaar en duidelijk te maken, terwijl ik denk dat het theater er juist is om vragen te stellen, de dingen open te gooien en het niet te weten.
Maar bevattelijkheid is een moeilijk evenwicht. Want uiteindelijk heb ik toch ook liefst dat kinderen dolenthousiast de zaal uitlopen en ik voel me ongemakkelijk als ik sommigen hoor zeggen: “Huh?” en “Ik snap het niet.”
Je beschreef daarnet al hoe deze productie samenvalt met een bepaalde periode in je leven en dat met de première, min of meer tegelijk met de geboorte van Olav, een cirkel is rondgemaakt. Mag ik dat ook ruimer zien? Dit is hoe dan ook een scharniermoment in je leven en je bent ondertussen 10-15 jaar bezig als theatermaakster. Breekt er op nog andere manieren een nieuwe tijd aan?
Er is inderdaad wel een periode afgesloten: een periode van extreme onrust en zoeken en niet vinden en toch blijven zoeken, tot je eigenlijk kapotmaakt wat je hebt. Dat uit elkaar rafelen en je ongelukkig piekeren… ik merk dat dat aan het afronden was. Dat had niet alleen met de zwangerschap te maken, denk ik, maar er kwam een punt van verzadiging, zo van: “En nu mag het ook wel plezant worden.”
Ik heb geen zin meer om getormenteerd te blijven en nooit tevreden te zijn met wat ik heb gemaakt, want dat schuift ook de lol van het maken helemaal naar de achtergrond. Dat plezier ben ik lang kwijt geweest. Ik wilde me te fel manifesteren en bewijzen. Dat werd ik beu, toen enkele jaren geleden alles in mijn leven ontplofte en er tegelijk een petekindje werd geboren. Toen begon ik stilaan te denken: “Nu is het genoeg”. Niet dat ik geen stress meer heb. Maar het uitgangspunt is veranderd. Ik doe nu nog dingen omdat ik het tof vind om ze te doen.
Misschien is 40 worden daarin ook een factor. Dat is toch mijn ervaring.
Ja, ook. In de plaats van die eeuwig getormenteerde kunstenares te zijn -wat ik ook flauwekul vind- bekijk ik theater maken nu gewoon als een job die ik heel graag doe en die nog altijd een deel is van mijn persoonlijkheid. Of je nu een voorstelling maakt of een cake: maken is maken, hé. En dat valt samen met andere dingen: je settelen, een fijne man hebben, een kind. Ik heb zelfs een open haard laten installeren. Och, het zijn verschillende dingen waardoor je gaat denken: wil ik op deze manier verder? En moet ik niet wat meer gaan leren rustig te genieten van de dingen?
Wat misschien ook wel een beetje een trendbreuk is tegenover je eerdere werk, is je medewerking aan Binkenslag, de opvolger van de Slag van Turnhout. Dat lijkt mij iets heel anders dan wat je voor de rest maakt.
Dat is anders en toch ook niet. Het is anders omdat je werkt met niet-professionele spelers, wat toch een beetje een speeltuin is. Je hebt wat meer ruimte om wilde ideeën uit te proberen, zonder dat daar gigantische consequenties aan hangen: noodzakelijke tournees en voorstellingen die verkocht moeten worden. Je vertrekt dus automatisch al meer vanuit lol en goesting. Bovendien is het ook de bedoeling dat er historische informatie wordt doorgegeven tijdens de Binkenslag, maar tegelijk moet die ook boeiend worden verteld. Het is dus wel een beetje ‘ter leering ende vermaeck’. Daar moet ik wel nog een evenwicht in vinden, want hoe pak je zoiets speels en vlot aan, zonder dat je het gevoel krijgt dat je schooltelevisie aan het maken bent?
Het is dus niet zo dat de moeilijke woorden ook nog eens onder in beeld zullen verschijnen?
(lacht) Misschien moet ik dat wel doen. En er ook nog een begeleidende brochure bij uitgegeven. Het zal voor mij ook anders zijn, in die zin dat ik maar verantwoordelijk ben voor twee van de zeven taferelen. Ik moet dus ook zien hoe dat past in het grotere geheel. Maar het is minder omslachtig omdat je telkens maar een spanningsboog hebt van 10 tot 15 minuten. Dat is iets anders dan een voorstelling van een uur of meer. Maar zo gigantisch veel verschil is dat in mijn hoofd niet. Het is toch weer een andere voorstelling die je maakt. Een kleine dan.
Alweer een kleintje geboren. Zo is er opnieuw een cirkel rond.
Dominic Depreeuw
Plaats reactie