Afstudeervoorstelling ‘Poppemie’ van Heidi De Feyter is een schot in de roos
februari 2012
LILLE - Het kan soms gek gaan met wat je jezelf wenst. Theatermaakster Heidi De Feyter uit Lille maakte als afstudeerproject aan de Academie voor Drama in Tilburg ‘Poppemie’, een voorstelling over hoe niet alles voor iedereen is weggelegd in het leven en hoe niet alle wensen worden ingewilligd. De productie werd buitengewoon goed onthaald, heeft er nu een tournee opzitten van zo’n 20 voorstellingen, gooide hoge ogen op een festival in Berlijn en begint in februari aan een hernemingstournee.
Heidi De Feyter is een van de docenten die bij Kaaiman in de Warande jongeren onderdompelt in een theaterbad. Met enkelen van die jongeren én met mentaal gehandicapte spelers van Theater Stap creëerde ze ‘Poppemie’. Centraal thema in de voorstelling is een onvervulde kinderwens.
“Het was mijn afstudeervoorstelling. En ik had altijd al het idee: ik wil mijn afstudeervoorstelling maken met Theater Stap. Tot Stijn van de Wiel, ook Kaaimandocent, me kwam vragen om volgend jaar de productie van Kaaiman te maken. Eerst dacht ik: “Nee, ik wil echt heel graag iets maken met Stap”. Toen zei Stijn: “Maar wij willen al lang eens met Stap samenwerken! Zou het geen idee zijn samen iets te doen?” En dat was een fantastisch idee.
Om bij het begin te beginnen: hoe is die voorstelling ontstaan?
In eerste instantie wilde ik graag iets met Stap maken, omdat ik maatschappelijk werkster ben. Ik heb in de gehandicaptensector gewerkt, met mensen die begeleid zelfstandig wonen. En het leek me wel mooi om die ervaring en mijn nieuwe opleiding in elkaar te doen klikken. Ik wilde eerst nagaan hoe jongeren naar de toekomst kijken en hoe gehandicapten dat doen.
Tijdens onze voorbereidingen had ik hun gevraagd eens iets mee te brengen dat hen aan de toekomst doet denken. Die gasten van Stap hadden bijna allemaal foto’s bij van broers of zussen met hun kinderen, of van BV’s met zwangere buiken. Toen bleek dus dat een kind krijgen iets is wat hen enorm bezighoudt.
Uit de verhalen van de ‘valide’ jongeren bleek: “Wij willen gaan reizen, wij willen gaan rondtrekken en later zien we dan nog wel”. Na de eigenlijke repetitie zat ik met die jongeren nog na te praten. Iemand zei: “Deze week dacht ik dat ik zwanger was; ik was mijn pil vergeten.” En ik vroeg: “Wat zou je dan doen?” Waarop zij: “Abortus natuurlijk, want wat heb ik dat kind nu te bieden?” En ik vond dat zo’n heftig contrast. Dat schuurde zo. Ik snap de redenering wel. Zij was toen 17. Maar het trof me wat voor mogelijkheden die jongeren hebben en dat ze er niet bij stilstaan wat ze allemaal kunnen.
Terwijl de spelers van Stap juist foto’s over kinderen meebrengen, omdat het voor hen niet is weggelegd.
Ja. Die gehandicapten verlangen er zo hard naar en je weet: dat gaat er bij hen in 99 procent van de gevallen nooit van komen, hoe hard ze er ook naar verlangen. Die tegenstelling raakte me wel.
Gaat de voorstelling dan uitsluitend over een kinderwens? Of ruimer: over iets willen, in contrast met de overvloed die wij kennen?
Over de kinderwens. Dat verlangen en de vrijheid die jongeren hebben om daarmee om te gaan, tegenover dat intense verlangen hebben en de wens nooit ingewilligd zien worden.
Waar trek je de grens? Heeft het met IQ te maken of niet? En wie neemt die beslissing? Het gaat niet alleen om liefde geven, maar om te weten welke zorg je moet verschaffen.
De voorstelling is zeer goed opgepikt. Buiten verwachting, lijkt me. Hoe verklaar je dat en wat doet dat met je om dat te zien gebeuren?
De naam Stap heeft zeker bijgedragen tot het succes. Ik weet eigenlijk niet waarom het zo goed wordt opgepikt. Langs de ene kant zit die kinderwens van gehandicapten nog in de taboesfeer. Ik heb geprobeerd dat heel puur op een podium te zetten om het al wat bespreekbaar te maken, zonder dat ik er een oordeel over vel. Het stuk toont ook de kwetsbaarheid van beide doelgroepen.
Jullie hebben Poppemie enkele weken geleden zelfs in Berlijn gespeeld. Hoe kwam dat?
Er was een festival: No Limits. Daar speelden groepen van over de hele wereld die allemaal iets gemaakt hadden door en met mensen met een handicap. De organisatoren hadden aan Stap gevraagd of het nog een intieme voorstelling had die daarin paste. Stap had ‘Geen Wonder Dat Ik Ween’ en ‘Poppemie’. We hebben die allebei ingezonden. De organisatie vond ze allebei zo goed dat we ze alle twee mochten brengen.
Hoe was die ervaring? Dan heb je echt het gevoel dat je aan het toeren bent, lijkt me.
Ik had een ideaalbeeld: wauw, naar Berlijn. Maar het was keihard werken. Dat was ’s avonds aankomen, nog even op het festival iets gaan eten en dan gaan slapen. En de volgende dag moesten wij spelen. We zijn dus ’s morgens vroeg begonnen om alles op te bouwen. We kwamen dan bij het zaaltje waarin we moesten spelen. Dat was in het oude Oost-Duitsland. Je zag nog de kogelgaten in de muur. Meer een barak dan een zaaltje. Op zich maakte dat aftandse niet zoveel uit. Maar de persoon die alles had moeten coördineren, liet het afweten. Van alles wat er was gevraagd, was er dus niets. De organisatoren van het festival waren wel heel behulpzaam. Die hebben nog wat technici opgeroepen. We hebben ook zelf de handen uit de mouwen gestoken, met allerlei kunst- en vliegwerk. Letterlijk nét voor we de voorstelling gingen spelen, was het licht geprogrammeerd. Heftig hoor.
Heb je tijdens het festival reacties op de voorstelling gekregen?
De organisator van het festival is naar de repetitie komen kijken en dan naar de voorstelling. En bij de repetitie, die zelfs nog zonder kostuums was en helemaal niet op punt stond, was hij aan het wenen. Hij zei: “Ik ben zelf net vader geworden. Het grijpt me heel sterk aan”. Over het algemeen hebben we enthousiaste reacties gekregen.
Wat komt er na Berlijn?
De organisator van het festival in Berlijn gaf al aan dat hij ‘Poppemie’ ook heel graag naar een festival wil halen in Zwitserland in 2013. Maar we hebben bij Stap afgesproken dat we tegen dan bekijken of het wel kán. Maar als ze echt ‘Poppemie’ willen, gaan we ervoor.
Ik kan me voorstellen dat het heel leuk is als je debuut overal wordt opgepikt, maar het legt misschien ook een druk op het volgende dat je wil maken.
Dat is wel eng, ja. Dat gegeven dat het vergeleken wordt. Ik had dat ook toen ik bij Stap ging vragen om daar een voorstelling te mogen maken. Marc zei al heel snel: “Oké, en als het meevalt, gaan we spelen bij de Kopergieterij en dan neem ik contact op met Bronx en daar en daar…” En toen dacht ik al: “Help, ik ben nog maar aan het afstuderen”. En nu speelt wéér dat gegeven dat mensen wel iets verwachten. En de verwachtingen liggen zo hoog…
Tekst: Dominic Depreeuw
Foto: Bart Van der Moeren
