Joachim Pohlmann, speechschrijver van Bart De Wever, schrijft 'Altijd iets'
april 2012
MOL - De speechschrijver van Bart De Wever is een Kempenaar én de auteur van een nieuwbakken roman. Joachim Pohlmanns ‘Altijd iets’ verscheen zopas bij uitgeverij Van Halewyck en is een portret van zijn generatie. Het boek schetst ook een mooi beeld van zijn geboortestreek, maar dat wil Pohlmann niet met zoveel woorden gezegd hebben: “Het was echt niet mijn bedoeling, maar toch zegt iedereen die het leest dat het een boek over de Kempen is.”
‘Het is altijd iets, hé’. Het is de slagzin van mijn grootmoeder. Ik hoorde het haar al zovele malen zeggen vanuit haar leunstoel in de veel te warme keuken, terwijl ze luisterde naar de verwezenlijkingen en verzuchtingen van haar kinderen en kleinkinderen. Het waren stopwoorden, zo dacht ik altijd, maar sinds het lezen van Joachim Pohlmanns roman hebben ze een andere betekenis gekregen: elke medaille heeft een keerzijde. Het waren dus de relativerende woorden van een vrouw die al wat watertjes had doorzwommen. Ook in het boek zijn alle goede dingen nooit alleen maar positief en omgekeerd, want zo gaat het leven. En dat is precies wat ‘Altijd iets’ wil weergeven: het leven van een groep vrienden in het begin van de 21ste eeuw, hoe ze in de wereld staan en wat ze ermee aanvangen. In de eerste helft van de roman tekent Pohlmann met een cynische blik zijn generatie: de jongeren komen uit de verkaveling gekropen, gaan studeren of werken, bezoeken baandancings, drinken liters sangria van de Aldi en hebben vooral geen ambitie om aan het ‘echte leven’ te beginnen. Het deed me wat denken aan ‘De avonden’ van Gerard Reve, de roman uit de jaren 50 die iconisch is geworden als dé karakterschets van de naoorlogse generatie. Zijn de jongeren dan niet veranderd?
Als ik kritiek lever, is het uit liefde en is het op iedereen … mezelf incluis.
“Ik denk dat dat zo is. Dat cynisme en die verveling zijn eigen aan elke generatie die opgroeit. Kijk naar de eerste boeken van Herman Brusselmans, bijvoorbeeld ‘De man die werk vond’. Dat personage Louis Tinner was net hetzelfde: de angst voor de grote wereld. Ook bij ‘Alles moet weg’ van Tom Lanoye zie je dat. We moeten de literatuur niet telkens opnieuw gaan uitvinden, hé. (lacht)
Hoewel je zelf deel uitmaakt van die generatie geef je er ook wel kritiek op.
Als je een eerlijk boek wil schrijven, kan dat ook niet anders, denk ik. De jongeren krijgen heel veel kansen maar doen er vaak niets mee. En dáár geef ik wel kritiek op. Je hebt het hoofdpersonage Joris, die zijn studies heeft afgemaakt en daarna met heel veel geluk ergens binnengerold is. Het is hem allemaal maar overkomen en hij onderneemt tijdens de eerste 200 pagina’s niks meer. Hij leeft in het luchtledige. Zijn vriend Wesley heeft ook alle kansen gekregen: hij kon gaan studeren of profvoetballer worden maar eindigt uiteindelijk aan de lopende band. Daarnaast laat ik ook een andere figuur zien, Demident, die door zijn familiale omstandigheden geen kansen krijgt en daar enorm hard tegen vecht, maar er desondanks toch niet uitgeraakt. Hiermee geef ik dus ook kritiek op mijn persoonlijke visie dat mensen hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen en het leven moeten maken. Soms staan er toch omstandigheden in de weg. Als ik dus kritiek lever, is het uit liefde en is het op iedereen, mezelf incluis.
Van dat Kempense minderwaardigheidscomplex kan ik de puisten krijgen.
Behalve een portret van een generatie is het voor mij ook een portret van de Kempen.
Op misschien één uitzondering na komt het woord ‘de Kempen’ niet in het boek voor. Ik wilde niet per se over deze streek schrijven. Het moest een boek zijn waar mensen uit Zottegem of Gingelom zich ook in zouden herkennen, iets Vlaams. Ik heb heel allegorische plekken genomen: het dorp, de stad, de cité, de fabriek waar mijn personages die ook allegorisch bedoeld zijn, geplaatst worden én toch zegt iedereen mij: “Het is een boek over de Kempen”.
Het is een streek waar jongeren uitgaan in baandancings, de kerstverlichting veel te lang blijft hangen en dorpskroegen zo’n 80 jaar door dezelfde vrouw worden uitgebaat. Het is wel herkenbaar.
(lacht) Ik heb het uit liefde gedaan. Ik ben hier zelf ook opgegroeid en ben ook naar die dancings geweest. Elke keer dacht ik wel: “Help, ik wil hier weg”. Ik heb het neergezet zoals het is. Ik wilde me er niet tegen afzetten maar het ook zeker niet mooier maken. Als je de Kempen leest als in de boeken van Ernest Claes … dat bestaat alleen in zijn hoofd. Zo heeft het er nooit uitgezien, volgens mij.
Hoe heb jij je jeugd hier beleefd?
Ik ben van Mol-Postel, maar heb mijn kindertijd voor het grootste deel doorgebracht in Geel-Bel bij mijn grootvader. Bel was toen nog het archetype van het Kempense dorp: één straat met daarachter een paar wijken en heel veel boeren. De bossen van Bel waren ook fantastisch om in op te groeien, bijna feeëriek. In mijn herinnering is het in Bel altijd zomer. Nu is dat veranderd hé, Bel is een echt verkavelingsdorp geworden. Da’s ook typisch mijn generatie. Wij zijn de eersten die zijn geboren en opgegroeid in een verkaveling en dat typeert de Kempen van nu hé: de urbaniteit. De landelijke gebieden zijn aan het verstedelijken. Van Antwerpen tot Turnhout is het één aaneengesloten gebied.
In jouw roman trekt het hoofdpersonage ook weg uit het dorp naar Antwerpen. Dat is ook de realiteit: de jongeren trekken weg en de Nederlanders komen naar hier. Hoe komt dat?
Door het idee dat het, als je van de Kempen komt, niet zal lukken. Dat je verbonden moet zijn met de grootstad. Van dat Kempense minderwaardigheidscomplex kan ik de puisten krijgen. “Als we buiten de grenzen komen, zullen we maar zwijgen, want wij zijn maar van de Kempen”. De Vlaming in het algemeen heeft dat, maar de Kempenaar heeft dat in het kwadraat. Dat beeld klopt niet, hé. Er zijn voldoende Kempenaars die uitbreken en een internationaal bedrijf beginnen. Kijk maar naar de baggeraars en de Sniffers. Ook op het vlak van cultuur is dat zo. Toch blijft dat in ons zitten.
Is dat ook de reden waarom jij naar Antwerpen bent getrokken?
(lacht) Nee, dat was puur om professionele redenen. Ik kom ooit terug, da’s zeker. Het zal wel nog even duren want ik wil eerst nog een paar dingen realiseren op het grotere plan, maar daarna kom ik terug. Je kunt het manneke uit de Kempen halen, maar de Kempen nooit uit het manneke. Dat is natuurlijk niet alleen in deze streek. Jongeren van West-Vlaanderen gaan ook allemaal naar Gent, maar als ze kinderen hebben, trekken ze er ook vaak terug weg naar de dorpen errond.
Pohlmann is wel een allesbehalve Kempense naam. Er is zelfs een Duits politicus die net als jij Joachim Pohlmann heet.
Dat was de kandidaat-burgemeester van Dortmund, geen familie van mij. Mijn naam vind je over heel Europa terug, maar oorspronkelijk zijn mijn voorouders van Oostenrijk. Mijn familie heeft heel de ontwikkeling van het moderne Europa gevolgd en is dan in de Kempen aangespoeld. Dat wil wat zeggen, hé?
In je boek hebben de personages een duidelijke verbondenheid met hun dorp. De plaats waar je opgroeit en met wie je dat doet, maken je tot wie je bent.
Identiteit vorm je altijd met anderen. Ken je David Hume, de Schotse filosoof? Die had een gedachte-experiment ontwikkeld. Hij zei: ‘Stel je een kind voor dat geboren wordt met een zeldzame ziekte. Het is verlamd en heeft geen enkele zintuigelijke capaciteit, maar ze houden het in leven. Als het 18 wordt, kan dat kind denken? Het heeft enkel zichzelf als referentiepunt. Nu ja, je kan zeggen dat het iets puur biologisch is en dat het dus kan denken. Maar wat denkt het? Dit maar om aan te tonen hoe moeilijk het is om identiteit te vormen die niet in relatie staat tot anderen. Zelfs de meest individuele identiteit is sociale identiteit. Als je opgroeit, kom je in contact met anderen, met je ouders, vriendjes, de school en de jeugdbeweging. Hiervan krijg je een hele hoop gedragscodes mee die je in je opneemt. Wat is goed en kwaad, wat is arrogantie, wat is gedienstigheid… Je krijgt het overal mee. Die gedragscodes deel je met anderen die dezelfde codes krijgen aangeleerd. En zo ontstaat gemeenschap. Het hoofdpersonage Joris denkt ook dat hij zonder die gemeenschap kan leven, dat hij als individu alleen verder kan. Later komt hij dan tot de ontdekking dat dit niet lukt: hij zal altijd een kind zijn van zijn ouders, een kind van zijn omgeving, deel van een groter geheel.
Op de flaptekst van het boek staat: ‘Groenten uit Balen, the next generation’. Was dit jouw idee of een promotiestunt van de uitgeverij?
Ik heb het zelf gekozen. Het boek speelt zich niet in Wezel af. Iedereen zegt dat het de Kempen is, maar het is zeker niet Wezel. Toch lijkt het wel wat op de setting uit ‘Groenten uit Balen’. Het gaat ook over een dorpsgemeenschap die leeft rond een fabriek. In dat boek komt ook die gemeenschap en de gedeelde identiteit heel hard naar voren. Ze mochten de staking niet opgeven en gedurende de 2 maanden dat die staking heeft geduurd, was heel Wezel één. Dat leeft daar nu nog heel hard in dat dorp. Op het einde van het toneelstuk krijgen Germaine en haar vriend een kind. Toen ik lang geleden aan het nadenken was over mijn verhaal was het mijn idee om uit te werken in wat voor een gemeenschap ‘die kleine’ was opgegroeid. Dat werd dan mijn gemeenschap, mijn generatie. In mijn boek heb ik die staking om verhaaltechnische redenen wel 10 jaar moeten opschuiven naar 1981, anders klopte de leeftijd van die generatie niet meer. (lacht)
Jef, de politicus uit de vriendengroep, houdt ergens in je boek een speech waarin hij zegt dat ‘elke gemeenschap nood heeft aan een zelfbeeld waarin ze kan geloven’. Spreekt hier de politicus Joachim Pohlmann?
Dat boeit me bijzonder, ja: hoe gemeenschappen een bepaald zelfbeeld vormen en hierop voortgaan. De uitspraak over dat zelfbeeld komt eigenlijk van Agnes Heller, een Hongaarse filosofe. Een gemeenschap kan niet bestaan zonder een beeld van ‘dat zijn wij’. Dat beeld moet niet feitelijk juist zijn, maar mensen moeten er zich aan kunnen spiegelen. Kijk maar naar Nederland. Die hebben jarenlang een stabiel zelfbeeld gehad: “Wij zijn open en tolerant en het gidsland voor heel Europa. Wat hier gebeurt, zal zich over de hele wereld verspreiden en dan zal er vrede zijn.” Dat was het beeld dat ze hadden sinds de jaren 50. Toen kwam er een kale politicus en die begon te poken in dat zelfbeeld en nog later knalde een activist die politicus neer. Heel het zelfbeeld viel aan duigen en nu zijn ze al een tijd in de discussie verwikkeld over wie ze nu eigenlijk zijn. Ze zijn over het zelfbeeld aan het heronderhandelen; iets wat wij in België als sinds 1870 doen omdat we geen consensus kunnen vinden. Ook Duitsland zit met dat probleem. Zij zijn al heel vaak veranderd van zelfbeeld. Tijdens het Derde Rijk hadden ze een sterk, duidelijk zelfbeeld maar dat was opgelegd vanuit het autoritair regime. Dat is natuurlijk helemaal faliekant afgelopen. Omwille van hun economische en politieke macht zijn ze nu weer de facto de leiders van Europa, maar ze hebben het heel moeilijk om die rol op te nemen omdat ze bang zijn om veel van die gevoeligheden uit het verleden terug naar boven te halen en dat kunnen ze nog niet aan. Iedereen heeft dus een zelfbeeld: of je nu een land, een dorp of een scoutsbeweging of een vriendengroep bent, je hebt altijd zoiets van: “Dat zijn wij”. Da’s puur menselijk.
Wanneer mensen weten dat dit boek geschreven is door een N-VA’er gaan ze bewust of onbewust op zoek naar elementen van hun ideologie. Heb je daar rekening mee gehouden?
De uitgeverij vroeg me dat ook. Ik wilde niet per se bekendstaan als iemand van N-VA, maar dat kan je niet verbergen, hé. Jij hebt mij ook “gegoogled”. Ik kom er eerlijk voor uit: dit is geen N-VA boek. Ik denk zelfs dat Bart het niet helemaal eens zou zijn met de inhoud. Er zullen uiteraard wel wat van mijn ideeën in gesijpeld zijn. Een van mijn favoriete schrijvers is Louis Paul Boon. Op ideologisch vlak staat hij helemaal aan het andere uiterste, maar dat wil niet zeggen dat het niet raak is wat hij in zijn boeken over de mens en over Vlaanderen zegt. Het is dus mijn roman, geen N-VA pamflet.
Buurgemeente Dessel is traditioneel een echt Volksunienest (nu N-VA), Mol helemaal niet. Hoe komt iemand van Mol-Postel bij die partij terecht?
Ik had al heel vroeg intuïtief door dat het gemeenschapsgevoel, het ergens willen bijhoren, heel belangrijk voor mij was. Toen ik puber was, begin jaren 90, was het Vlaams Blok net doorgebroken en alles wat Vlaams was, was verwerpelijk. Daar werd heel negatief op gereageerd door de culturele elite en ook op school. Het politiek correcte denken begon toen zowat repressieve vormen aan te nemen, vond ik. Om me daartegen af te zetten, ging ik dat Vlaamse eerder in de verf zetten. Ook om mijn ouders te treiteren die van de mei ’68-generatie waren. Ik was actief binnen de Volksunie en hielp mee dingen te organiseren. Nu ben ik niet meer zoals vroeger. Ik zal niet meer het gemeentehuis van Strombeek-Bever gaan bezetten met een Vlaamse Leeuw op mijn rug.
En dan word je speechschrijver van Bart De Wever.
Da’s allemaal heel organisch gegroeid. Ik ken Bart al lang. Van toen ik nog in Leuven studeerde en hij er nog assistent was. Geen kat was toen in hem geïnteresseerd, want who the fuck was Bart De Wever. Tijdens de campagne van 2007 ben ik dan voor hem gaan werken en ik heb hem alsmaar groter en groter zien worden én belangrijker ook. Toen zijn politieke agenda zo druk werd, vroeg hij al wel eens aan mij om zijn speechen voor te bereiden. Dat is dan verder gegroeid tot de samenwerking die er vandaag is.
Heeft hij het boek gelezen?
Nee, ik heb het hem wel gegeven maar ik weet niet of hij het gaat lezen. Hij heeft me ooit eens gezegd dat hij geen romans meer leest, alleen nog non-fictie. Blijkbaar komt dat wel vaker voor. Gerrit Komrij zei het onlangs nog in HUMO. Op een gegeven moment kom je op een leeftijd dat je over alle grote literaire thema’s als liefde, vriendschap en de dood wel genoeg gelezen hebt en dat je weet en denkt dat je ze onder de knie hebt. Maar Bart blijft er wel mee bezig hoor, want politiek is niks anders dan een voortdurende test van die grote thema’s.
“Het is altijd iets”. Klonk het gewoon goed of is het echt de slagzin van het boek?
Het is toch wel belangrijk hoor. Het is echt mijn overtuiging dat iets nooit alleen maar positief of alleen maar negatief kan zijn. Alles wat de mens ten goede doet, heeft ook een negatieve kant. Kijk naar de uitvinding van het wiel. Daar is heel wat ontwikkeling uit voortgekomen, maar door het wiel kunnen we ook tanks maken bijvoorbeeld. Toen Einstein zei: E = mc² was dat een enorme vooruitgang, maar het betekende ook dat er een atoombom kon vallen op Hiroshima. Het is dus altijd iets. Dat is de baseline van het leven.
‘Altijd iets’ werd uitgegeven bij Van Halewyck - € 19,95
Tekst: Katrien Lodewyckx
Foto: Bart Van der Moeren
Print je mail !
Wanneer je van ons een beves-tigingsmail krijgt dat je vrijkaarten hebt gewonnen, druk dan die mail af en neem hem mee naar de locatie waar de voor-stelling plaatsvindt.
Vermeld ook steeds je naam en adres in de mail wanneer je wil meedingen voor de vrijkaarten.



