De laatsten der kapelverzorgers

MOL - Nergens anders dan in Vlaanderen kom je zo’n onwaarschijnlijke hoeveelheid kapelletjes tegen ter ere van Maria, de moeder van Jezus. Ze moeten met duizenden zijn: de kapelverzorgers die met een rotsvast geloof en vooral veel vrijwillige inzet de kapellen onderhouden.

 

In mei, de Mariamaand bij uitstek, ondergaan de kapellen hun jaarlijkse schoonmaak, krijgen ze een nieuwe verflaag en worden ze getooid met een wit-blauwe (de kleuren van Maria) meiboom. Suiker sprak met drie kapelverzorg(st)ers. Stilaan een uitstervende soort. De kapellen mogen dan vaak al meer dan een eeuw oud zijn, hun verzorgers komen ook in die buurt. Gelovigen willen hun Mariadevotie het liefst in hun eigen buurt beleven en dus is elke plaats geschikt om er een kapelletje neer te poten of op te hangen. Dat blijkt alleen al uit de ontelbare samenstellingen met het woord kapelletje: baankapelletjes, boomkapelletjes, dakgootkapelletjes, gevelkapelletjes, rotondekapelletjes, boskapelletjes en ga zo maar door. Kapellen zijn toonbeelden van de vaak zo verguisde ‘Vlaamse volksarchitectuur’. De met brik en brak opgetrokken bouwsels horen thuis in dezelfde categorie als duiventillen, brievenbussen en koterijen. Gelukkig heb je er sinds kort geen bouwvergunning meer voor nodig. De kapellen behoren echt wel tot het volkse erfgoed.

Wij verslijten, maar het kapelletje blijft mooi”


De kapelverzorg(st)ers, de vrouwen en mannen die dag in dag uit voor de monumenten in de weer zijn, hebben vandaag een gemiddelde leeftijd van 70 tot 100 jaar. Zij zijn zelf monumenten die zich bekommeren om monumenten. Ze voelen zich de laatste telgen van een uitstervende soort. Stoppen zij met het onderhouden van de kapel, dan dreigt langs duizenden Vlaamse wegen weldra de kapelverkrotting.

Jaak Geysmans: “Wat gij geluk of toeval noemt, noemt een ander een mirakel.”

Duizenden keren is Jaak Geysmans uit Ezaart al de drukke Geelsebaan overgestoken om aan het boomkapelletje recht tegenover zijn huis een karweitje op te knappen. Er is altijd wel iets te doen aan een kapel: nieuwe bloemen neerzetten, het uitgewaaide kaarsje terug aansteken of het perkje ervoor met wiskundige precisie fijnharken.
“Dit kapelletje moet meer dan 100 jaar oud zijn. Het werd gemaakt door mannen die nog in de oorlog van 1914-1918 hebben gevochten. Acht kerels waren het, allemaal jonkmannen. Ik ken nog al hun namen. Echte deugnieten waren het. Als ze de kapel versierden, gaven ze een flesje bier aan mekaar door. Ik was toen nog een snotneus die ze voortdurend voor de gek hielden. ‘Hé, Jaakske, ga eens de stoelzaag halen bij boer Peer’, riepen ze dan naar mij. Boer Peer stuurde me dan naar Boer Mettens en die verwees me weer door naar een andere boer. Begrijpt ge: een stoelzaag bestond gewoon niet. En plezier dat die mannen dan hadden.”

“Het kapelletje is van niemand. Of beter: van niemand en van iedereen. De boom hebben we zelf gezet. Het materiaal voor de omheining heb ik geleverd. De zitbank heb ik van treinbiels gemaakt. Maar ik heb al dat materiaal nooit gegeven met de gedachte: ‘Dat kapelletje is nu van mij’. Vraag me ook niet hoeveel dat kapelletje me al gekost heeft. Niemand hier rekent zijn kosten aan. Vroeger hing er nog een offerblok onder waarin mensen geld konden steken. Daarmee werden dan kaarsen gekocht. Maar een boekhouding hebben we nooit bijgehouden. Veel mensen denken dat ik met al mijn werken voor de kerk veel verdiend hebt. Als ik de klokken ging luiden, zag ik hen denken: die heeft weer een schone cent verdiend. Jongen toch: ik weet zelfs niet of ik er mijn hemel mee heb verdiend.” (lacht)

“Het boomkapelletje staat hier zeker op een gevaarlijke plaats. Vooral de vrachtwagens scheren er rakelings langsheen. Toch is er nog maar één keer een auto tegenaangereden. Jef, onze schrijnwerker, heeft toen een nieuw kastje gemaakt. Een kapelletje in Balen hebben ze een jaar geleden wel in frut vaneengereden. En het strafste was: het Mariabeeldje was nog helemaal intact. Voor de mensen van de kapel was dat zeker een wonder.”

“Ge gelooft erin of ge gelooft er niet in. Wat gij geluk of toeval noemt, noemt een ander een mirakel. Als vroeger in de buurt iemand serieus ziek was, werd aan de kapel een noveen gebeden, negen dagen na elkaar. Iedereen moest er elke avond zijn. Ontbrak er iemand, dan telde het niet en moesten we opnieuw beginnen. Als die mens dan beter werd, waar lag dat dan aan? Ik zal je nog iets vertellen. Tien jaar geleden zag ik niet meer goed. Ik verzorgde toen ook nog de bloemen aan het Christusbeeld in de kerk. ‘Jongen’, zei ik tegen Onze- Lieve-Heer, ‘nu moet gij me helpen want ander is het gedaan met de bloemen.’  De week nadien ben ik geopereerd; ik zag beter dan ooit tevoren.”

Jaak is intussen overleden. Deze reportage mag een eerbetoon zijn.

Maria Van Roy: “Een oud mens moet op tijd doodgaan.”

Jaaks rechterhand, en minstens even toegewijd aan het kapelletje van Ezaart, was en is nog steeds Maria Van Roy: een boerin van weinig woorden. Ze woont nog samen met een zoon in een kleine boerderij vlak naast het kapelletje. Al meer dan een halve eeuw steekt ze tweemaal per dag een kaarsje aan.

“Ik weet het hoor, gij denkt dat ik gek ben. Maar de ‘nieuwe soort’ begrijpt niet dat de kapel  een zaak van oude mensen uit de ‘vroegere tijd’ is. Die kapel zit in mij. Ik ben ermee opgegroeid. Mijn moeder brandde er kaarsen, haar moeder deed het en naar het schijnt zelfs mijn overgrootmoeder. Na mijn dood doen ze ermee wat ze willen. Ik wil het niet meemaken. Een oud mens moet op tijd doodgaan zodat hij of zij dat allemaal niet meer ziet gebeuren. Maar zolang ik goed te been blijf, zal ik elke dag mijn kaarsje branden.”

“Rond zeven uur ‘s morgens sta ik aan de kapel, elke dag van de week. En om vijf of zes uur ‘s avonds sta ik er opnieuw. Het juiste uur hangt af van de kaars: een goede brandt zes tot zeven uren, een goedkopere iets minder lang. Andere kapelletje hebben kaarsen die op elektriciteit werken. Maar dat is zoiets als plastic bloemen.”
“Tijdens de oorlog mocht ik er geen branden. Alles moest verduisterd zijn. Eén avond in het jaar brand ik zeker ook geen kaarsen meer, nl. op de dag dat de scouts hier hun bal houden. Dan lopen er teveel deugnieten op straat. Een keer hebben ze het lantaarntje stukgeslagen, een andere keer was het zelfs gepikt. Mijn zoon heeft het nu vastgelegd met een hangslot.”
“Op een dag lag er een groot pak kaarsen onder het kapelletje. En een week later opnieuw een pak. Ik wist niet van wie ze waren. Tot op een morgen vreemde mensen aan de kapel stopten. ‘Heb je onze kaarsen gevonden? We zijn naar Lourdes geweest maar dat was één grote commerce. Je brandt een kaarsje maar voor je je rug gedraaid hebt, verkopen ze de kaars opnieuw. Dan leggen we nog liever hier een doos neer.’ Soms krijg ik ook kaarsen van mensen uit de buurt. Die moet ik dan branden voor een ziek familielid.”

“Ik brand ook kaarsjes voor mezelf. Ik hou erg veel van Maria. Voor haar kan ik veel doen. Waarom? Omdat ze ook al heel veel voor mij heeft gedaan. Ik heb geen makkelijk leven gehad. Ik heb elf kinderen grootgebracht en daarbij nog eens een zieke man moeten verzorgen. Heel mijn leven heb ik hard moeten boeren. Hoe zou ik dat voor elkaar hebben gekregen? Een meid of knecht had ik niet. Ik heb heel veel gebeden voor Maria om mij nieuwe moed te geven.”

“Maar soms denk ik ook weleens: al die kaarsen, het zal niet veel uithalen. Het kan goed zijn dat ik naar de hel gaat. Dood is dood.  Denkt gij ook niet?”

De gezusters Van Hoof: “Niemand komt hier bidden. Ik denk dat het van de oorlog geleden is.”

Het kapelletje van Achterbos wordt al meer dan een eeuw in ere gehouden door het “kaarsenaansteekbedrijfje” Van Hoof: de gezusters Maria en Hilde. Elk jaar rond deze tijd verzamelen ze de vrouwen van de buurt om het kapelletje te versieren.

“Janneke Doos, een nonkel van ons, heeft dit kapelletje gebouwd. Wij waren toen nog snotneuzen. Ik denk niet dat hij vooraf een plan had getekend maar ik vind dat het wel een mooi kapelletje is geworden. Het is gemetseld met oude stenen. Nadien hebben ze het wit geschilderd. Dat hadden ze beter niet gedaan want nu moeten we het elk jaar opnieuw verven.”

“Ik heb nooit gehoord dat Maria hier ooit zou zijn verschenen. Om de hoek hebben ze wel een kapelletje gezet omdat er eens een kindje is doodgebliksemd. Aan ons kapelletje komt ook nooit iemand bidden. Ik denk dat het van de oorlog geleden is. Als de mensen het slecht hebben, komen ze vanzelf bidden. Ik ga daar vandaag ook niet alleen staan. We maken het schoon en onderhouden het. Eigenlijk is dat puur uit gewoonte. Dat zit erin en dat zal er nooit meer uit gaan.”

“We steken alle dagen twee kaarsen aan. Als het kaarsje niet brandt, voel ik dat precies aan en ga ik vanzelf naar het kapelletje. ’s Avonds staat de deur van de gang hier open en kijk ik recht op de kapel. Ik vind het altijd zo schoon als het kaarsje brandt, vooral in de winter.”

“Het kapelletje is eigenlijk een familiezaak. Ik sta met de vroege: ‘s morgens wrijf ik wat door mijn gezicht en ga dan een eerste kaars aansteken. Ik zorg ervoor dat ik er vóór zeven uur ben geweest. Die eerste kaars brandt tot de middag. Ons Maria staat met de late, zij gaat rond zes uur een tweede kaars aansteken. Een tante van ons is 85 jaar en gaat elke dag het zand ervoor netjes harken. We doen dat samen al langer dan zestig jaar.”
“Als je vroeger je plechtige communie deed, moest je vooraf meehelpen met het schoonmaken van de meiboom. Alle meisjes kwamen dan samen bij het oudste van de niet-getrouwde meisjes uit de buurt. Als dat meisje niet van straat geraakte, kon die wel dertig jaar oud zijn. Dat was zo de traditie. De vrouwen die deze dagen de jaarlijkse schoonmaak doen, zijn alleen maar oude vrouwen. De jongste dit jaar was 56 jaar. We waren nog met twaalf: Margriet, de Emmerkens, Jeanine, Mien, Emma, Lis, Elisa, Hilda, Marie van René van Din, ons Marie en ik. Ik schrijf alle namen op. Zo weet ik wie wat heeft bijgelegd bij de aankoop van de versieringen.”

“Ik schrijf ook altijd op hoeveel er in de offerblok zit. De laatste keer was het 11,50 euro. Dat geld gebruiken we voor kaarsen en bloemen. Soms leggen we een paar euro extra bij om het ganse jaar door kaarsen te kunnen kopen. Als mensen uit de buurt een feest hebben gegeven en kaarsen hebben gebrand, komen ze de overschot aan ons geven. Hier gaan weinig kaarsen verloren.”

“Onze meiboom is een paar jaar geleden gestolen. Ik weet het nog goed: het was veertien dagen voor de eerste mei. ‘s Morgens ging ik een kaarsje aansteken. Mijn tante had het perkje nog niet “gegritseld” en daarom zag ik nog een grote voetstap in het “gritselwerk” staan. Ik keek onmiddellijk naar omhoog en zag dat onze meiboom weg was! Ik ben gaan rondfietsen en stelde vast dat in de ganse buurt ook de brievenbussen waren omgetrokken. Iemand aan de kerk sprak me aan. ‘Uw meiboom ligt ginder in de wei. Ge zult er veel werk aan hebben als ge  er nog iets van wilt maken.’ Hij was inderdaad helemaal verenneweerd, zelfs het kruisje was eraf. Zo spijtig... Hij stond al meer dan vijftig jaar het ganse jaar door op het kapelletje. Wat hebben die vandalen daar nu aan? Maar een nieuwe meiboom maken we niet meer. Dat is gedaan.”

“Of we er onze hemel mee verdienen?  Ja, dat denk jij. Wij weten niet beter, jongen. We gaan nog alle zondagen naar de kerk. Ze hebben ons ook veel wijs gemaakt. Ik geloof niet dat we daar iets voor terugkrijgen. Als wij geleefd hebben, is het gedaan met het kapelletje. Wie gaat het dan nog doen? Ik vind het erg dat zoiets verloren gaat. Zelf hebben we het ook al dikwijls willen opgeven. Maar als het zover is, beginnen we er toch terug aan. Toen we dit jaar stonden te schilderen, kwam Viviane erbij staan. Zij verzorgt ook een kapelletje in de buurt. ‘Ik ben al 80 jaar’, zei ze. ‘Maar ik heb geluk: als ik er niet meer ben, zal ons Louisa het werk nog verderzetten. Die is nog vier jaar jonger, maar woont wel 500 meter verder van het kapelletje.’ Zo verslijten wij, maar het kapelletje blijft mooi.”

Tekst: Stijn Janssen | Foto’s: Bart Deseyn

 

Share/Save/Bookmark

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Het nieuwste nummer

De oudere nummers vind je in ons archief.
 

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009