Aster Berkhof wordt 90! (deel II)

altASSE/RIJKEVORSEL - Na anderhalf uur praten is de schrijver duidelijk vermoeid. We besluiten het gesprek te beëindigen. Aster Berkhof staat op en vraagt of we nog zin hebben in een kop koffie. Even later komt hij aanzetten met een plateau met mooie porseleinen kopjes, allicht klaargezet door zijn vrouw Nora Steyaert, destijds een van de coryfeeën van het toenmalige NIR, de huidige VRT. Berkhof vraagt aan de fotograaf om de koffie uit te schenken. "Ik kan dat zelf niet meer", zo verontschuldigt hij zich. "Ik heb al een tijd een probleem met mijn ogen."

 

Mijn leven is ooit begonnen, ik heb dat geleefd en binnenkort gaat dat eindigen. En dan?

Het is ook die oogkwaal die hem belet nog te schrijven op een tekstverwerker. Desondanks blijft hij elk jaar minstens een boek uitbrengen. Hoe hij dat doet, wil hij graag uitleggen. De schrijver neemt achter zijn schrijfbureau plaats voor een ouderwetse cassetterecorder met een grote handmicrofoon. "Hierin spreek ik mijn boeken in", zegt hij. Hij haalt een cassette uit een lade en speelt die af. We horen de schrijver zeer gedecideerd korte zinsdelen voordragen, met inbegrip van leestekens en alinea-aanduidingen. Na elke frase komt een korte klik. "Het verhaal zit perfect in mijn hoofd", vertelt hij. "De cassette gaat naar een typiste. Nadien breng ik samen met haar nog verbeteringen aan en verstuur ik het manuscript naar de uitgever. Ik schrijf iedere dag van drie uur in de namiddag tot acht uur 's avonds, met een koffiepauze. Niet langer. En dan nog kan ik pas om 1 uur 's nachts gaan slapen. Ga ik vroeger naar bed, dan blijft het boek in mijn hoofd verdermalen."

Maar laten we even terugspoelen naar het tweede deel van ons gesprek met de schrijver uit Rijkevorsel, die deze maand negentig wordt. 

Mijnheer Berkhof, u hebt tot op vandaag maar liefst 100 boeken geschreven. Dat is toch onwaarschijnlijk veel, niet?

Ik ben een werkzame jongen en ik zit altijd boordevol energie. Ik moet altijd iets omhanden hebben. Ik sta 's morgens nog steeds zo op (wrijft zich in de handen). Ik schrijf ook zeer graag. En als het dan ook lukt, is dat uiteraard een aanmoediging om verder te blijven schrijven. Mijn boeken werden graag gelezen, veel gelezen en telkens herdrukt. Uitgevers hebben me veel meer boeken gevraagd dan ik er geschreven heb. 

U schreef soms drie, zelfs vier, boeken per jaar.

Dat is enkele keren gebeurd. Maar je mag dat niet veralgemenen. 

U was ook lange tijd de meest gelezen schrijver in Vlaanderen

Ja, en wat me vooral verheugde, was dat ik de meest ontleende schrijver was. Ik stond al als eerste op die lijst van de bibliotheken toen ik nog maar amper 35 jaar was. Ik weet nog dat ik toen Nest Claes klopte. Hij had al die jaren de eerste plaats bekleed met zijn 'De Witte'. Nest was daar echt kwaad om. (lacht) Hij kon het maar moeilijk verkroppen dat ik hem klopte. Ik werd vooral populair met mijn boek 'Veel geluk professor'. Zelfs in 1990 stond ik nog bovenaan op die lijst. Voor mij was dat succes heel aangenaam en het moedigde me ook aan om verder te blijven schrijven. 

altSommige critici stellen: Berkhof schreef te veel om ook de kwaliteit van zijn boeken hoog te houden.

Dat is zeker voor een deel waar. Maar ik heb een groot deel van die lichtere boeken geschreven omdat ik ze ook graag wilde schrijven. Mijn eerste boek was een misdaadroman en later heb ik avonturenboeken geschreven, puur voor het plezier. Daar heb ik in mijn jonge jaren ook veel kritiek op gekregen. Ik schreef een genre dat bij ons toen nog niet bestond: het ontspanningsgenre. Kijk maar na: een boek zoals 'Veel geluk professor' bestond niet voor ik het schreef. Dat was totaal nieuw, en wat nieuw is, wordt door de kritiek vaak niet verwelkomd.

Hoe kwam u erbij om dergelijke boeken te gaan schrijven? Had u ergens een voorbeeld?

Dat borrelde gewoon in mij op. Zal ik u de ontstaansgeschiedenis vertellen van 'Veel geluk professor'? Ik was soldaat geweest in Engeland en had er veel goede kameraden leren kennen. Een ervan was een echte lord die met zijn ouders in een kasteel woonde, met butlers en dergelijke. Hij ging elk jaar in Zwitserland skiën en vroeg me op een dag om eens mee te gaan. Maar ik had geen centen om in grote, chique hotels te verblijven. "Dat geeft niet", zei hij. "Ik zorg er wel voor dat het op de rekening van mijn ouders komt te staan." Dat was behoorlijke pret. Skiën was een ontdekking voor mij. Ook de après-ski in de hotels en het flirten met de meisjes was nieuw. Ik had me er geweldig geamuseerd. Toen ik thuiskwam, heb ik mijn koffer niet eens uitgepakt en ben ik onmiddellijk aan dat boek beginnen te schrijven. Driekwart van dat boek, de sfeer, het flirten: het was allemaal authentiek. Alleen de liefdegeschiedenis was fantasie. Het boek sloeg erg aan en is een groot succes geworden.

Het kan ook niet anders dan dat u snel schreef. Als u uren over elk woord had zitten piekeren, had u een dergelijk omvangrijk oeuvre niet bij elkaar kunnen schrijven.

Neen, maar misschien had ik dat wel meer moeten doen. Soms heb ik daar wel spijt van. Het was allemaal niet zo vlug moeten gebeuren. Geduld is niet mijn grootste deugd geweest. Bepaalde boeken had ik beter kunnen schrijven. Maar er zijn wel boeken die ik met meer toewijding geschreven heb. Aan 'Het huis van Mama Pondo' heb ik drie jaar gewerkt. Het is dan ook een dik boek geworden. De apartheid was een zo dieptragisch gegeven dat ik dat gewoon eerbiedig en met veel toewijding moest behandelen. Ik heb er met al mijn krachten aan gewerkt. Maar niet met de bedoeling een literair boek te schrijven om ook tot de literatuur te behoren.

Met dat boek wordt u nog steeds vereenzelvigd. Alle studenten moesten het lezen op school.

Juist: met dat boek heb ik ook literaire erkenning gekregen. "Berkhof kan ook literaire werken schrijven", zo luidde het plots in de kritieken.' Boeken als 'Mama Pondo' en 'Veel geluk professor' zijn twee uitersten en die uitersten zitten in mij.

Was die literaire erkenning voor u belangrijk?

Belangrijk en niet belangrijk. Het breidde wel mijn wereld wat uit. Maar die erkenning was niet de hoofdreden waarom ik schreef. Het maakte me er wel van bewust dat ik met wat meer geduld en zorg ook andere boeken kon schrijven. Trouwens, het eerste van mijn 'betere' -zogenaamde literaire- boeken was 'Dagboek van een missionaris'. Ik ontmoette de man in India. Hij zat diep ontgoocheld op zijn blote voeten langs de waterkant. "Ik ben hier al 20 jaar en heb nog geen enkele hindoe bekeerd", zei hij . Zielig. Hij is enkele jaren uitgetreden en weer ingetreden, maar eenzaam gestorven. Dat thema van een man die zo worstelde met zijn geloof was zo ernstig en gewichtig dat ik het moest schrijven met meer aandacht en meer geduld. Dat werd als een literair werk geprezen, wat me genoegen deed.

Vindt u dat u thuishoort in het lijstje van Claus, Boon of Walschap?

Neen, neen, zeker niet. Maar er zijn wel een aantal boeken die op dat niveau staan. Maar ik wil best herinnerd worden als een schrijver van ontspanningsboeken. Ik schreef spontaan lichtvoetige ontpanningsliteratuur met een exotisch karakter, ook ter bevrediging van mijn eigen nieuwsgierigheid naar al die verre werelden. Dat reizen is eigenlijk altijd mijn groot verlangen geweest. Dat andere boeken ernstiger, diepzinniger en stilistische beter uitgewerkt zijn, hield verband met de aard van de onderwerpen. Mijn laatste roman die gaat verschijnen, is een lichte misdaadroman. Het is niet zo dat ik bekeerd moest worden van de lichte romanschrijver naar de literaire romanschrijver.

De criticus Jos Borré noemde u de 'Conscience van de 20ste eeuw.'

Ja, daar ben ik tevreden en heel blij mee. Ik vind Conscience een heel goed en groot schrijver.

Bent u de Nederlandstalige literatuur blijven volgen? Las u wat uw collega's schreven?

Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik onze Vlaamse literatuur niet gelezen heb. Ik heb heel mijn leven geprobeerd het allerbeste te lezen uit de wereldliteratuur. Marquez, Camus, Sartre en anderen las ik wel. Dat op zich is al een grote taak. Ik beken eerlijk dat het lezen van de Nederlandstalige literatuur daaronder geleden heeft. Ik ken die onvoldoende.

Maakte u deel uit van het Vlaamse literaire wereldje?

Nee, nooit. Ik kende wel schrijvers maar nam nooit deel aan literaire evenementen. Ik heb ook nooit geantwoord op kritieken en nooit ofte nimmer heb ik pennentwisten gevoerd. Ik hield me daar gewoon buiten.

Waarom?

Ik vind dat schrijvers elkaar niet veel te vertellen hebben. Ik heb Louis-Paul Boon goed gekend. Ik heb met hem tv-programma's gemaakt en ben meermaals bij hem thuis geweest. Maar we hebben nooit één enkele zin over literatuur met mekaar gewisseld. Ook met Walter Van den Broeck of met Leo Pleysier niet. Met Leo praat ik meestal over Rijkevorsel. Schrijven is zoiets intiems, zowel voor de ene als voor de andere schrijver. Ik kan me niet voorstellen dat we over die intimiteiten met elkaar zouden praten. Het is ondenkbaar dat ik er met iemand anders over zou praten als ik een boek aan het schrijven ben. En nooit ofte nimmer heeft een ander schrijver over zijn boek met mij gepraat.

U schreef niet in de 'ik-vorm'?

Ik schreef soms in de ik-vorm, maar die ík was ík niet. Ik heb nooit over mijn eigen leven geschreven, maar mijn boeken bevatten wel ervaringen en details uit mijn leven. Mijn uitgevers hebben gezeurd en gezeurd opdat ik een autobiografie zou schrijven, maar ik heb dat steeds geweigerd. Dat is privé, dat is van mij. Ik wil ook niet meewerken aan een biografie die een ander schrijft. Ik heb mijn privéleven altijd gescheiden gehouden van mijn leven als schrijver.

U hebt ook veel heilige huisjes ingetrapt. In werken latere werken als Donadieu en Octopus Dei haalde u de katholieke kerk zwaar onderuit.

Ik ben streng katholiek opgevoed en nadien uitgetreden uit het geloof. Dat is me kwalijk genomen. Ik heb vooral geageerd tegen de dwang die door het geloof werd uitgeoefend door sekten en groepen als Opus Dei. Geen van die boeken is ooit verboden geweest, maar door de kerk toch afgeraden. Destijds werden in de katholieke scholen boeken met nummers voorzien. 'Veel geluk professor' kreeg een 3, wat betekende: 'Voor volwassenen met het nodige voorbehoud'. Dat geloof je toch niet. (lacht)

Toch lijkt het ons dat u met de kritiek makkelijker wegkwam dan bijvoorbeeld destijds een Walschap.

Walschap is een groter schrijver dan ik. 'Houtekiet' en 'Celibaat' zijn boeken die ik niet kan schrijven.

Als u uw eigen oeuvre overschouwt, welke boeken springen er dan uit?

Dan kom ik terecht bij 'Het huis van Mama Pondo', 'Dagboek van een missionaris', 'De woedende Christus' -waarin ik afstand doe van mijn geloof-, 'Amanda' -over een vrouw die mishandeld werd- en 'Donadieu' -waarin ik aanklaag hoe de katholieke kerk via allerlei vertakkingen de maatschappij naar zijn hand zet. Op dit laatste boek is ook veel kritiek gekomen. Toen ik het schreef, was ik al zeventig.

U komt steeds terug op die invloed van het geloof. Dat heeft u uw ganse leven sterk beziggehouden.

Jazeker, en nu nog erger ik me soms mateloos aan de arrogantie van de Kerk. Onlangs nog hoorde ik op de Nederlandse tv een conservatief-traditioneel protestant Darwin belachelijk maken. Maar al zijn argumenten tegen de evolutieleer waren gewoon nep! Nep! (windt zich behoorlijk op). Om te bewijzen dat Darwin fout was, verwees de man constant naar de Bijbel, naar verhalen van Mozes die van een slang een stok maakte en daarmee water uit de rots sloeg. Alles moest volgens hem letterlijk geïnterpreteerd worden. Je merkt: ik maak me er nog steeds boos over. Iedereen mag van mij geloven wat hij wil. Twee plus twee is vier, maar je mag van mij geloven dat het 4,1 is. Maar op grond daarvan mag niemand dwang uitoefenen op mij. Ik heb het er vooral moeilijk mee dat men op basis van een geloof dwang uitoefent op jongeren en kinderen. Ik moest vroeger op mijn knieën voor mijn bed drie Weesgegroetjes bidden en mocht dan pas gaan slapen. Dat deed ik nog tot ik zestien was en op het kleinseminarie in Hoogstraten zat. Alle godsdiensten doen dat: de islam oefent dwang uit, het hindoeïsme,…

Mogen we u een atheïst noemen?

Ik ben een agnost, m.a.w. ik weet het niet. Ik zeg niet dat God niet bestaat want dat weet ik ook niet. En geloven doe ik sowieso niet makkelijk.

We zoeken allemaal naar het ontstaan van de aarde. Ze hebben recent de oerknal al nagebootst. Ik denk dat ze dicht bij een verklaring zitten. Die nieuwsgierigheid is gezond, denk ik. Hopen dat het ook allemaal zin heeft, is ook heel aangenaam. Maar ik zie niet veel hoop waaruit zou blijken dat mijn leven zin heeft gehad. Mijn leven is ooit begonnen, ik heb dat geleefd en binnenkort gaat dat eindigen, niet te vlug hoop ik. En dan? De aarde is 50 miljard geleden ontstaan en over een paar miljard jaren zal de aarde er niet meer zijn. Waarvoor heeft die aarde dan gediend? De aarde bestaat uit gloeiende materie met een afgekoelde korst eromheen. Die barst geregeld met afschuwelijke gevolgen zoals een aardbeving of een tsunami. Honderdduizenden mensen verdrinken in de modder. Dat kan voor mij niet het zinvolle leven zijn op een 'ding' dat gemaakt is door een almachtig liefhebbende God. Dat kan gewoon niet. Toen die aardbeving plaatsvond in Haïti vroeg ik me af: "Wat zou God nu aan het doen zijn?" Ik wil zulke vragen kunnen stellen. Een gelovige mag dat niet.

U wordt weldra negentig. Vele ongelovigen beginnen op late leeftijd te twijfelen en hopen dat er toch zoiets bestaat als een hemel of een hiernamaals.

Dat zal heel zeker niet zo zijn. Als dat zo zou zijn, zou God al die vreselijke zaken toch niet laten gebeuren. In de Bijbel staat het verhaal dat God op een bepaald moment niet tevreden was over de mens. Hij roeit de mens dan maar uit, behalve Noë. Alle mensen, vrouwen en kinderen laat hij verdrinken. Kun je je dat voorstellen? Maar dat staat wel in de Bijbel. En dan tegelijk geloven dat die God ons ziet, kent en liefheeft.

U blijft ijverig schrijven, bent nog zeer scherpzinnig en lucide. Is schrijven uw lang leven?

Ja, schrijven is bijna zoals ademen. Ik heb pas nog een nieuw boek afgemaakt.

Ik trek elk jaar voor een halfjaar naar de Provence. Daar zit ik nooit aan een schrijftafel, maar wandel veel en zwem iedere dag. Daar ontstaan de ideeën voor nieuwe boeken. In de winter worden ze hier in Asse dan uitgeschreven. Ik heb mijn eerste boek op mijn 22ste geschreven en nu bijna zeventig jaar later heb ik er 100 geschreven. Dat betekent anderhalf boek per jaar. Zo verschrikkelijk veel is dat toch ook niet.

Erg bedankt voor dit gesprek en nog veel jaren en boeken toegewenst.

Tekst: Stijn Janssen | Foto: Bart Van der Moeren

Share/Save/Bookmark

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Het nieuwste nummer

De oudere nummers vind je in ons archief.
 

is de Kempense cultuurkrant. Een uitgave van Procart GVC. © Suiker 2009