Ik heb het vaak zien gebeuren: jonge gasten beginnen een groepje met een aantal maten, en hun vrienden gaan mee op toer om de gitaren te dragen. Dan komt er een manager bij, nog even later worden ze vergezeld van een tourmanager. Op de duur zit tussen de groep en de man waarmee jij als organisator moet praten zeker zeven tussenpersonen. Een groepje wordt dan een fabriek. Terwijl ik zo erg te vinden was voor het persoonlijke contact. Ik stapte altijd rechtstreeks naar de groep toe. De mensen hebben vaak duizend kilometer in de tourbus gezeten, zijn doodmoe en moeten naar het toilet. Wees gewoon beleefd en je krijgt alles van hen gedaan.
200 man personeel
De meest uitgebreide fabriek die ik heb meegemaakt, was die van de Rolling Stones. Toen de Stones zeven dagen in Werchter kampeerden om hun wereldtournee voor te bereiden, was ik verantwoordelijk voor de kleedkamers en de catering. Het was een fantastische week: elke avond kregen we een privéoptreden van de Stones. Het was mijn taak ervoor te zorgen dat ze zich op hun gemak voelden. Elke dag moest er vers eten klaargemaakt worden, en dat was dit keer geen stoofvlees. Ik moest niet zelf koken maar stond in voor de aankopen van alle ingrediënten. De kok van het gezelschap liet mij via de tourmanager weten wat de heren die dag wilden eten. Ik deed dan de boodschappen. Het budget speelde geen enkele rol.
Airco
De voorbereidingen op de tournee gebeurden midden in de zomer. Plots heerste er een hittegolf in België. Ik kreeg de opdracht onmiddellijk in alle kleedkamers airco te installeren. Elke muzikant had ook zijn eigen privékleedkamer, helemaal naar zijn smaak ingericht. Er stond ook een grote tent met een poolzaal en zelfs een bingohal. Pas op: ik begrijp al die luxe. Ik ben nu zelf 54 jaar; de Stones zijn al in de zestig. Op die leeftijd wil ik ook niet meer de hele dag op een harde stoel zitten. Dan wil ik ‘s avonds in mijn zetel liggen en wat tv-kijken. In Werchter was het voor de Stones alsof ze thuis in hun eigen woonkamer zaten. Ik denk dat je anders een leven on the road niet volhoudt.
200 man personeel
Maar om je een idee te geven hoe ver of dicht je bij een supergroep kan komen. Het was een megaorganisatie waarbij iedereen die erbij betrokken was verschillende pasjes droeg. Ik ga misschien liegen, maar er was volgens mij iedere dag 200 man personeel in de weer.
Het terrein zelf was verdeeld in zeven of acht zones. Elke dag werden de controles op het terrein strenger. Elke dag veranderde ook de kleur van je pasje. Op die manier wilde men absoluut vermijden dat er iemand bij de kleedkamers van Mick Jagger of Keith Richard zou geraken. Die zones werden volstrekt afgeschermd. Zelfs ‘den Herman Schueremans’ kon daar niet bij geraken. Maar ik wel!
Het slipje
De dag van het optreden zelf kreeg ik een ‘all area’-pasje. De laatste uren kleefden ze daarop nog een roos stickertje. Dat betekende dat ik in de kleedkamers van de artiesten mocht komen. Niemand mocht dat: zelfs de tourmanager niet. Toen heb ik een babbeltje kunnen slaan met die mannen, met de Keith en zo. Ze hadden me als man van de catering iedere dag zien passeren en herkenden me. Mijn taak was ervoor te zorgen dat ze onmiddellijk kregen wat ze wensten vooraleer ze het podium op gingen. Zo liet Jagger weten welke onderbroek hij zou aandoen voor het optreden. De ‘dressinggirl’ bezorgde mij dat onderbroekje: een minuscuul zwart slipje. Ik bracht het onmiddellijk naar Tilly, mijn toenmalige vriendin, die er tijdens de ganse week al als strijkster had gewerkt. Ze moest het slipje vliegensvlug strijken. Dan werd het op een flinterdun papiertje gelegd en op een plateau teruggebracht naar de kleedkamer van Jagger. Ondertussen mocht niemand eraan komen! Tilly heeft later nog zijn rood kostuum moeten uitstomen en zijn sportschoentjes gepoetst.
A good job
Als ik dat nu zo vertel, denk je misschien: wat een kapsones hebben die gasten! Maar nog eens: ik begrijp het. Het heeft niets met ‘dikdoenerij’ te maken. Als je wereldsterren als de Stones niet afschermt, zijn die mannen nooit eens op hun gemak. Iedereen wil natuurlijk met Mick Jagger in contact komen. Maar ik hield altijd afstand. Ik zorgde voor eten en drinken en sloeg alleen een babbeltje als zij dat wilden. Die laatste dag is de Keith naar mij gekomen. “Thank you very much”, zei hij. “Everything was fine.” Dan riep hij me in zijn kleedkamer. “Ik heb nog iets voor jou”, zei hij en trok een kist open.“Kies er maar iets uit.” Ik mocht van de Keith een van zijn giletjes uitkiezen. Hij gaf me ook nog een fles whisky en een fles cognac! Astemblief zei hij. ‘You did a good job’. Meer kan een mens toch niet vragen.