HOOGSTRATEN - Op 22 december zal het precies 40 jaar geleden zijn dat Godfried Bomans (1913-1971) overleed. Hoogstratenaar Toon Horsten, medewerker van de Standaard der Letteren (de boekenbijlage van De Standaard), vindt dat een ideaal moment om de meesterstilist te herontdekken, zo blijkt uit volgend pleidooi.
Er zijn verschillende redenen om jaloers te zijn op Gaston Durnez. Om te beginnen omdat hij Gaston Durnez is, misschien wel de beste Vlaamse journalist van de twintigste eeuw. Een journalist die zich letterlijk een weg uit de armoede schreef en zijn loopbaan enkel te danken heeft aan zijn talent en zijn schijnbaar ontembare schrijfdrift.
Maar er zijn nog andere redenen om jaloers op hem te zijn: bijvoorbeeld om wie hij in de loop van zijn lange leven allemaal heeft mogen ontmoeten, vaak voor een interview. Gaston schrijft nog steeds geweldig en mocht op de koffie bij mensen die dat ook deden. Bij Simon Carmiggelt en Godfried Bomans, om er maar twee te noemen. Nog altijd twee van de beste stilisten die ooit in het Nederlands geschreven hebben.
Carmiggelt lijkt wat uit de publieke aandacht weggedeemsterd, maar over zijn stilistische brille lijkt iedereen die zijn werk nog wel eens ter hand neemt het eens te zijn. En geef toe: iemand die een stukje over een klein huiselijk drama besluit met de zin: “Een Griekse tragedie heeft wel eens een spruitjeslucht” … die man kan schrijven.
Bomans blijkt moeilijker te liggen. Dat was ook al zo toen hij nog leefde. Hij kwam vaak op de televisie (tijdens het Grand Gala du Disque kondigde hij ooit Marlène Dietrich aan met de gevleugelde woorden: “Had mijn vrouw maar één zo’n been”), en gold als een Bekende Nederlander vooraleer dit fenomeen (zie ook: de Bekende Vlaming) een naam had gekregen. De Nederlandse intelligentsia vond al die vrolijkheid op de treurbuis maar niks. Bovendien was Bomans uitgesproken katholiek. En de overgrote meerderheid van Nederland was dat op dat moment niet.

In Vlaanderen lag dat anders. Wellicht was hij zelfs populairder in het overwegend katholieke Vlaanderen dan in Nederland. Al zei ook hij vaak verbaasd te staan over het Vlaamse minderwaardigheidsgevoel tegenover Nederlanders. In een interview met -inderdaad- Gaston Durnez vertelde hij daarover het volgende: “Jullie hebben te veel wantrouwen tegen Nederland. Vele Vlamingen vinden ons te hoogmoedig, te koud, te intellectueel. Zij lopen met een minderwaardigheidscomplex tegen ons aan. Dat bevreemdt mij, want de Vlaamse cultuur is zoveel ouder en rijker. Ik denk dat ik wel weet waarom dat zo is. Niets is zo deprimerend als rondlopen met een geweldige melodie in je hoofd, een melodie bestemd voor een orgel, en je hebt maar een harmonium.” “Een zaak van taalbeheersing dus”, vermoedt Durnez. Waarop Bomans: “In een debat moet je eens letten op het formuleervermogen van Nederlanders en Vlamingen. Iemand van bij ons, die kan praten. Die blaast menige Vlaamse tegenstander al te gemakkelijk omver. Hij krijgt daardoor gratis een meerderheidspositie. Zodra een Vlaming zijn streektaal kan gebruiken, zie je dat er in die kabouter een reus verborgen zit.”
Van Bomans wordt gezegd dat hij geen meesterwerk heeft nagelaten. Geen magnum opus van 700 bladzijden waarin hij zijn visie op de wereld in één goedgeschreven volume verpakt heeft. Dat klopt ook. Maar wie zijn verzameld werk openslaat -zeven kloeke delen- en er lukraak een paar stukken op naleest die hij voor kranten en tijdschriften schreef, staat meteen weer in bewondering voor zoveel vorm- en stijlbeheersing, voor de spirit waarmee hij zelfs het schijnbaar dufste onderwerp tot leven wist te brengen, én voor zijn veelzijdigheid. Over zijn humor hebben we dan nog niks gezegd. Bomans is een van de weinige schrijvers bij wie je als lezer vaak hardop in de lach schiet. Wie hardop één van de portretten uit ‘Kopstukken’ kan voorlezen zonder in de lach te schieten, lijkt me geen vrolijk mens.
Veertig jaar na zijn dood loop ik door Haarlem. Zijn stad. De stad van Bomans. De stad waar hij woonde, werkte, leefde, verenigingen oprichtte en ze ook weer ontbond, en waar hij het grootste deel van zijn kraakheldere proza schreef. Ik ben er voor een interview met een andere meester van de helderheid: Joost Swarte, tekenaar, illustrator en ontwerper. Een middag lang praten we in zijn atelier over tekenen, strips, architectuur en zelfs muziek. Over underground, Sjors & Sjimmie en Hergé: de grote meester van de Klare Lijn, van de getekende helderheid. Pas aan het eind van het gesprek hebben we het plots over Bomans, Swartes stadsgenoot. En ook een grootmeester van de helderheid.
“Weet je dat ik altijd een grote afkeer gehad heb van de figuur Bomans?”, bekent Swarte enigszins tot mijn verbazing. “Bomans was een typisch Haarlems figuur, gelieerd aan de katholieke zuil. Je had toen de socialisten, de liberalen, de christenen… Dat waren allemaal aparte groepen mensen met hun eigen winkels. Als je katholiek was, winkelde je bij een katholieke slager. Bomans hoorde bij dat katholieke deel en liet zich omringen door een wat stoffige, Dickens waarderende groep Haarlemmers. Niet meteen de avant-garde… Zijn werk interesseerde me dan ook niet.”
Kwam daar ondertussen verandering in?, wil ik nog weten. “Nee, niet echt. Al stelde ik, toen ik als illustrator voor Humo begon te werken, wel vast dat veel Vlamingen wel veel bewondering hebben voor het proza van Bomans. Ook bij Humo, toch een blad dat niet meteen in de katholieke hoek zat en zit. Toen moest ik wel toegeven dat ik als kind ontzettend veel plezier had beleefd aan de door Bomans geschreven strips over Pa Pinkelman. Dat was smullen. Maar binnen de Haarlemse context vond ik het nog steeds moeilijk. En dat lag dus niet alleen aan Bomans. Ook aan zijn gevolg. Bomans was een soort gangmaker, en daar hingen allemaal ‘mannetjes’ omheen. Die paladijnen, als ik ze zo mag noemen, hebben mijn waardering voor zijn werk altijd in de weg gestaan, vermoed ik.”
Het Hollandse katholicisme is nog maar een schim van wat het ooit geweest is. En de paladijnen zitten Bomans ook niet meer in de weg. Hoog tijd om hem te herontdekken voor wat hij was: een groot schrijver.
Tekst: Toon Horsten
Bomans tackelt minister Frans Van Mechelen
TURNHOUT – Er bestaan meerdere links tussen Godfried Bomans en de Kempen, maar deze willen we u niet onthouden. In 1971 maakte Godfried Bomans op vraag van de toenmalige BRT een documentaire over Vlaanderen. ‘Een Hollander ontdekt Vlaanderen’ verscheen -slechts weken voor zijn dood- ook in boekvorm. Het boek bevat tientallen interviews met bekende en onbekende Vlamingen, onder anderen met de in Turnhout geboren Frans Van Mechelen, die op dat ogenblik minister van Nederlandse Cultuur was én tegelijk ook hoogleraar aan de KUL. Bomans tackelt Van Mechelen, maar zonder dat het pijn doet. Of zoals Rik Torfs (ook een geboren Turnhoutenaar) het ooit omschreef: “Bomans kon in een hoofdzin vriendelijk blijven, maar in een bijzin iemand terloops afmaken. Zo verwierf niemand het recht om boos te worden.” Het onderstaande fragment uit het gesprek tussen Bomans en Van Mechelen is daar de perfecte illustratie van.
Bomans: “Het treft me dat, wanneer je hier ministers ontmoet ze ook allemaal hoogleraar zijn, de meesten althans.”
Van Mechelen: “De meesten is misschien wat veel gezegd, maar een groot gedeelte van onze actuele ministers zijn inderdaad hoogleraar.”
Bomans: “Dat bestaat in Nederland niet. Wij beschouwen het ministerschap als een fulltimejob en het hoogleraarschap lijkt ons ook iets waar je je handen aan vol hebt. Nu rijzen er twee mogelijkheden: of de Belgische ministers zijn gigantische geesten of ze doen beide dingen maar half. Ik haast mij hieraan toe te voegen dat ik natuurlijk tot de eerste opvatting neig.”
Tekst: Roel Sels
Plaats reactie