Smells like home!
“Kreeg je een groep op het laatst van hun tournee in de zaal, dan waren ze vaak al twee maanden onderweg. Tegen die tijd was hun rider (lijstje met wensen, gaande van een paar flessen water over een fles zeldzame whisky tot backstagegirls) al drie bladzijden lang. Hun succes was in die maanden gegroeid waardoor de tourmanager begon te denken: “We hebben een goudmijn aangeboord.” Hij werd dan zot van glorie en begon alsmaar meer eisen te stellen. Maar daar trok ik me niets van aan. In zaal Lux was de ontvangst standaard: koffie met broodjes en stoofvlees met patatten. Dat stoofvlees is begonnen als een gimmick maar groeide uit tot een van onze voornaamste troeven. Op den duur kwamen ze naar ons voor dat stoofvlees. Ik heb gastenboeken van alle shows die ik gedaan heb: daarin schreven de artiesten vaak een boodschap voor de volgende groepen. Er staan verhalen in van Dire Straits, The Cure en U2 maar ook van oude mannen als Bo Diddley. De rode draad is mijn stoofvlees.
Strategisch stoofvlees
Het stoofvlees was ook een strategische zet. Je moet weten dat zaal Lux niet meer was dan een veredelde parochiezaal waar de fanfare repeteerde. Onder het podium hadden we kleedkamers en een keuken. Meer stelde de accommodatie niet voor. Een complete ramp was de toegang tot de zaal. Van op de straat kon je alleen via een smalle gang in de zaal geraken. Alle technische apparatuur moest dus met de hand door die smalle pijp gedragen worden. ‘s Morgens kreeg ik eerst de crew en de roadies over de vloer. Dat begon al onmiddellijk met een hoop gezaag en gezever over die zaal. Daarom zorgde ik ervoor dat er verse koffie klaarstond, samen met koffiekoeken en boterhammen met kaas en hesp. Het eerste wat die mannen roken, was verse koffie. De geur van gezelligheid, de geur van thuis. Tegen de middag arriveerden dan de artiesten. Tegen die tijd zette ik mijn stoofvlees op. Bij stoofvlees moet je veel ajuin stoven. Ze staken hun neus in de lucht: Hey! Smells like home!. Zeker voor Engelsen is dat een bekende geur: ‘Stew!’(stoofpot). Als de gasten uit Duitsland kwamen, waren ze zo ziek als een hond van al die brol die ze hadden voorgeschoteld gekregen. Kwamen ze uit Holland dan waren ze uitgehongerd: daar hadden ze niet meer dan een broodje kroket gekregen. Het stoofvlees zorgde onmiddellijk voor een goede sfeer. Er is dan ook nooit iemand geweest die het vertikte om hier op te treden.
Gerry Rafferty
Of toch: op een dag (zondag 25 juni '78) speelde Gerry Rafferty hier (lid van Stealers Wheel, bekend van Stuck in the Middle With You). Rafferty had een gigantische hit met Baker Street. Hun optreden in de Lux was het laatste van de tournee en ze waren doodmoe aangekomen. Hun tour was klein begonnen in zalen voor 500 man, maar door het succes van Baker Street werden dat uiteindelijk zalen van 1.500 man. Er stelde zich onmiddellijk een groot probleem: onderweg had de groep gewisseld van geluid- en lichtinstallatie waardoor hun Amerikaanse systeem onmogelijk op ons systeem kon worden aangesloten. Onze elektricien kreeg het maar niet voor elkaar. De jongen was dan ook meer gewoon om tv’s te repareren. “Sorry”, zei de manager. “We pakken in en spelen vanavond niet.” Een ramp! Ik stribbelde nog tegen: “De zaal is uitverkocht. Ik kan de mensen niet meer verwittigen.” Op dat moment komt Gerry Rafferty met zijn muzikanten binnengewandeld. Ik stap naar hem toe en leg hem het probleem uit.
“Gerry, waarom komen de mensen naar het concert denk je: voor je stem of voor het licht? Ze komen toch voor jouw nummers!”
“Kun je wat licht voorzien?,” vraagt hij.
“Natuurlijk”, antwoord ik.
Ik was in die tijd de manager van de Kreuners. Zij zijn in de Lux hun carrière begonnen na hun optreden tijdens de Rock Rally. Maar dat is een ander verhaal. Voor de optredens van de Kreuners hadden we een lichtinstallatie gekocht van … vier lampen. Voor elke spot kon je drie verschillende kleuren steken zodat de lichttechnicus door naar links of rechts te draaien de kleuren kon veranderen. Die avond stonden alle spots op Rafferty gericht waardoor je de rest van de groep niet kon zien. Zij stonden allemaal in het donker en hadden een zaklamp gekregen om toch op de setlist te kunnen zien welk nummer ze moesten spelen.
Asshole
“Als een groep arriveerde, stelde ik me voor als ‘the local asshole’. De lokale promotor is normaal gezien ook een asshole. Bij hem moeten de artiesten altijd komen zagen voor drankbonnetjes. Ik heb als tourmanager van de Kreuners ook veel local assholes meegemaakt. Al na een minuut wist ik welk vlees ik in de kuip had. Of een organisatie in orde was of ik weer maar eens het contract moest bovenhalen en eisen dat we vooraf betaald moesten worden. Als local asshole van zaal Lux trok ik me nergens iets van aan, maar ik zorgde wel voor koffie. Ik meende dat ook. Ze noemen dat Kempense gastvrijheid en dat was het ook. Ik heb veel op hardrockfestivals in Nederland gewerkt. Daar was je van ‘s morgens tot ‘s avonds in de weer met het opbouwen van het podium maar eten kwam er pas na veel zagen bij. Meestal een broodje kroket per persoon. Dan was het kot te klein.
Als we in de Lux Amerikanen hadden, goten we die altijd vol met Duvel. Na vier Duvels kon je er alles van gedaan krijgen. Amerikanen zijn -zoals de Hollanders- alleen ‘pisseloeder’ gewoon. Naast de Lux was ook een winkeltje dat opengehouden werd door een vrouwtje van tachtig. Daar kon ik altijd terecht voor wat extra sterke drank. Ze was wel potdoof. Ik moest dan ‘s nachts hard op de deur kloppen om ze uit bed te krijgen. Soms had ik zo’n fles whisky echt nodig om die mannen op het podium te krijgen. Kreeg je de groep de laatste dag van hun tournee over de vloer, dan waren ze bekaf. In die tijd was rock-‘n’-roll nog drinken en je weet wel. Nu bestaat dat niet meer. In Werchter is de backstage vandaag dood.”